Delen

Juridisch kader

In de Nederlandse wet- en regelgeving is graffiti niet specifiek benoemd. Graffiti wordt, tenzij voor het aanbrengen ervan door de eigenaar/rechthebbende toestemming is gegeven, gekwalificeerd als een overtreding van gemeentelijke regelgeving maar ook als een strafbaar feit (vandalisme).

Daardoor is het aanbrengen van graffiti niet alleen een strafbaar feit maar ook onrechtmatige handeling jegens de eigenaar van het bouwwerk waarop het is aangebracht. Dit laatste maakt het mogelijk de door de graffiti geleden schade op de dader(s) te verhalen.

Er bestaan dus wel wettelijke instrumenten om graffiti op gebouwen en andere bouwwerken (zoals bruggen, viaducten, muren, maar ook bijv. op auto’s) aan te pakken en tegen graffiteurs en eigenaren van gebouwen preventief en repressief op te treden.

Optreden tegen de aanwezigheid van graffiti

De Woningwet en de Welstandsnota

Op grond van de Woningwet heeft elke gemeente (door een raadsbesluit) een Welstandsnota vastgesteld die burgemeester en wethouders toepassen bij de beoordeling van nieuwbouw en bestaande bouw. Hierin zijn criteria opgenomen waaraan een bouwwerk, qua materiaal, textuur, kleur en licht moet voldoen om in overeenstemming te zijn met de redelijke eisen van welstand. Ieder vergunningsplichtig bouwwerk moet namelijk op grond art. 44 lid 1 onder d. van de Woningwet voldoen aan die eisen.

Op grond van artikel 13a van de Woningwet kan, indien niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand de bewoner (onder aankondiging van bestuursdwang) worden aangezegd dat woning of bouwwerk binnen een bepaalde termijn in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand moet worden gebracht (lees: de graffiti verwijderen). Er dient wel eerst een oordeel van de Welstandscommissie aan ten grondslag liggen dat het bouwwerk niet aan de redelijke eisen van welstand voldoet.

Wordt aan deze aanzegging niet voldaan, dan kan de gemeente de graffiti (laten) verwijderen en de kosten daarvan op de eigenaar van het bouwwerk verhalen. De grondslag voor bestuursdwang ligt in art. 125 Gemeentewet en in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht staat de bestuursdwangprocedure beschreven.

Jurisprudentie heeft duidelijk gemaakt dat welstandstoetsing van op zichzelf vergunningvrije veranderingen, zoals het schilderen van een pand, mogelijk is. Als de gemeente zich op het standpunt stelt dat graffiti gelijk te stellen is met schilderen, mag dus getoetst worden of het bouwwerk daarmee “niet in ernstige strijd is met de redelijke eisen van welstand”.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de objectiverende criteria uit de welstandsnota voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Want hoewel de gemeente en de welstandscommissie de welstandsnota zo objectief mogelijk proberen toe te passen, blijft de beoordeling of dat werkelijk zo is subjectief van aard. Een welstandsoordeel kan dus leiden tot lange juridische procedures waarbij de rechter gaat beoordelen of de overheid objectief genoeg gehandeld heeft en of de redelijkheid geweld is aangedaan, vooral als het gaat om de vraag of er sprake is van “ernstige strijdigheid met de redelijke eisen van welstand”.

Erfpachtbepalingen

Indien de gemeente gronden in erfpacht uitgeeft waarop bouwwerken (kunnen) worden geplaatst, wordt daartoe een erfpachtovereenkomst gesloten. In de bepalingen van die erfpachtovereenkomst (die ook voor woningcorporaties gelden) kan een bepaling zijn opgenomen waarin staat dat het de erfpachter niet is geoorloofd de grond te gebruiken op een manier waarbij er bezwaar uit het oogpunt van welstand is te duchten. Op grond van een dergelijke bepaling is het voor de gemeente dus mogelijk om erfpachters aan te zeggen de graffiti te (doen) verwijderen.

De Woningwet, de Welstandsnota en de erfpachtbepalingen bieden mogelijkheden tot optreden tegen de aanwezigheid van graffiti, maar dus niet tegen de daders.

Optreden tegen de dader(s)

De Algemene Plaatselijke Verordening

In de meeste Algemene Plaatselijke Verordeningen (APV’s) zijn bepalingen opgenomen waarbij zowel het aanbrengen van graffiti als ook het bij zich hebben van materialen en gereedschappen voor het aanbrengen ervan is verboden. Op basis daarvan kan de opsporingsambtenaar of politieagent bij de constatering van het aanbrengen van graffiti en/of bij de constatering van het bij zich hebben van die materialen en gereedschappen een proces-verbaal opmaken voor overtreding van de APV. Dit proces-verbaal wordt aan het Openbaar Ministerie gezonden die tot vervolging zal (kunnen) overgaan.

Voor de sancties geldt een maximum van hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie (maximaal € 3700,-), al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. De strafbare feiten zijn overtredingen als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering en kunnen dus alleen door een rechter worden opgelegd.

Het Wetboek van Strafrecht

Het spuiten van graffiti kan een strafbaar feit opleveren.

Afhankelijk van de precieze omstandigheden kan er sprake zijn van:

  • Vernieling (artikel 350 Wetboek van Strafrecht)
  • Vernieling van een gebouw (artikel 352 Wetboek van Strafrecht)
  • Belediging van een groep mensen (artikel 137c Wetboek van Strafrecht)
  • Openbare geweldpleging (artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

Op grond van deze artikelen kan proces-verbaal worden opgemaakt. Nadat de politie het onderzoek naar het strafbare feit heeft afgerond, stuurt zij het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie (de Officier van Justitie). Deze kan dan bij lichtere strafbare feiten (zoals bij graffiti) besluiten om de verdachte in aanmerking te laten komen voor een Taakstrafzitting Openbaar Ministerie (TOM) of, als het een minderjarig betreft, een Oproep Ten Parkette (OTP). De verdachte krijgt dan van de Officier van Justitie een uitnodiging om te verschijnen op de TOM-zitting.

Tijdens die zitting wordt aan de verdachte een voorstel gedaan ter voorkoming van strafvervolging. Dit voorstel kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanbieden van een werkstraf of een leertraject of uit de betaling van de schade aan het slachtoffer. Het OM kan een dergelijk voorstel doen bij meerderjarige verdachten voor maximaal 120 uur werkstraf/leerstraf en alleen voor strafbare feiten waar een maximum gevangenisstraf op staat van minder dan 6 jaar. Bij de OTP (minderjarigen) geldt een maximale taakstraf van 60 uren.

Als de verdachte op dit voorstel in gaat (en dat ook nakomt) zal de zaak niet aan de rechter worden voorgelegd. Komt hij het echter niet of niet helemaal na, dan wordt de zaak alsnog aan de rechter voorgelegd. Voor minderjarigen tussen 12 en 18 jaar is doorverwijzing naar Bureau HALT een alternatief. HALT (afkorting voor Het ALTernatief) is in 1981 in Rotterdam in het leven geroepen en ontziet de rechterlijke macht door de daders alternatieve straffen op te leggen voor lichte vergrijpen, zoals graffiti aanbrengen. Een straf, met als doel de dader te laten inzien dat het niet goed is wat hij/zij heeft gedaan, zou bijvoorbeeld kunnen zijn het verwijderen van de graffiti.

De Wet Bestuurlijke Boete overlast en de Wet Bestuurlijke Strafbeschikking overlast

De gemeente heeft de mogelijkheid om zelf boetes op te leggen voor het overtreden van de gemeentelijke verboden en voorschriften (vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening). Het gaat daarbij om zaken die “kleine ergernissen”genoemd worden, maar die voor veel overlast en verloedering zorgen. Graffiti is daar een goed voorbeeld van.

Twee nieuwe instrumenten moeten de gemeenten meer slagkracht geven. Op 14 januari van dit jaar trad de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in werking en sinds 1 januari 2009 experimenteren de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) met de Bestuurlijke strafbeschikking.

Andere gemeenten krijgen vanaf 2010 de mogelijkheid om met de Bestuurlijke strafbeschikking aan de slag te gaan.

Bij gemeenten die kiezen voor het instrument van de Bestuurlijke boete overlast vloeien de ontvangsten uit de boeten naar de gemeentekas. Daar staat tegenover dat zij zelf zorg moeten dragen voor onder meer het innen van de boete en dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure. De gemeente hoeft voor dit soort zaken niet de politie in te schakelen. De politie blijft wel bevoegd ook tegen dit soort overtredingen op te treden, al zal de prioriteit voor de handhaving bij de gemeenten liggen.

Bij de Bestuurlijke strafbeschikking overlast, legt de gemeente namens en onder verantwoordelijkheid van het OM strafrechtelijke boetes op. De opbrengsten uit de boeten vloeien naar het Rijk en het innen van de boete gebeurt door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Voor de verzetsprocedure en de beroepsprocedure bij de Kantonrechter blijft het Openbaar Ministerie verantwoordelijk. Wel ontvangen gemeenten een vergoeding voor de kosten die zij maken bij de bestrijding van overlast.

Verhalen van schade op de dader(s)

Het aanbrengen van graffiti op gebouwen, bouwwerken of andere zaken (zoals voertuigen) is behalve een strafbare handeling, ook een onrechtmatige handeling in de privaatrechtelijke zin. Het brengt immers schade toe voor de eigenaar/rechthebbende van de zaak waarop de graffiti is aangebracht, bijvoorbeeld de kosten van verwijdering. Op grond van art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek leidt een onrechtmatige daad tot de verplichting om de schade te vergoeden.

Het verhaal van die schade moet gebeuren op de privaatrechtelijke weg, met name door een zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken waarbij wordt gevorderd dat de dader(s) wordt veroordeeld tot het vergoeden van de geleden schade. Een veroordeling door de strafrechter of het aanvaarden van een schikkingsvoorstel door het OM ter voorkoming van strafvervolging zal kunnen bijdragen in de slagingskans van een dergelijke vordering.