Mensenhandel - Zevende rapportage van de Nationaal Rapporteur
Bij de presentatie van de Zevende Rapportage Mensenhandel stelt de Nationaal Rapporteur dat rechters moeite hebben met de juridische en maatschappelijke context van mensenhandel in de prostitutiesector. Ook spreekt de rapporteur haar zorgen uit over het gebrek aan capaciteit aan opvangvoorzieningen voor slachtoffers van mensenhandel en het uitblijven van de start van de pilot categorale opvang.
Beschrijving
De rapportage is een aanvulling op hetgeen in eerdere rapportages aan de orde is geweest. In principe is informatie tot 1 juli 2009 meegenomen, maar van sommige onderwerpen is ook informatie van latere datum verwerkt. Dit staat dan vermeld.
Er wordt aandacht besteed aan slachtoffers, de hulpverlening aan de slachtoffers, de bestuurlijke aanpak, de opsporing en vervolging van mensenhandelaren, het relevante wettelijke kader, en internationale ontwikkelingen. Ook komt een aantal meer specifieke onderwerpen aan de orde. In aparte hoofdstukken worden de zogenoemde overige uitbuiting, het non punishment-beginsel, de mensenhandel met het oog op orgaanverwijdering en de B9-regeling en het voortgezet verblijf op grond van B16/7 van de vreemdelingencirculaire behandeld. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van het onderzoek van BNRM naar de jurisprudentie van de afgelopen jaren met betrekking tot mensenhandel.
Conclusies
Opvang voor slachtoffers
In de rapportage wordt aangegeven dat voor slachtoffers van mensenhandel categorale opvang nodig is. In de praktijk worden slachtoffers nog vaak opgevangen in ophoudruimten op Schiphol, in voorzieningen van het COA, in vreemdelingenbewaring, in een tentenkamp of op een politiebureau. De voorziene pilot categorale opvang is sterk vertraagd. Ook voor minderjarige, Nederlandse, slachtoffers, veelal slachtoffers van loverboys, moet voldoende categorale opvang worden gerealiseerd, hetzij binnen de pilot, hetzij los daarvan. De rapporteur pleit ervoor de opvangcapaciteit snel uit te breiden en beter toe te snijden op de zorgbehoefte van de verschillende categorieën slachtoffers. Daarnaast is het dringend noodzakelijk dat voor de opvang van deze groep een landelijke visie wordt ontwikkeld.
Jurisprudentie over uitbuiting in de seksindustrie
Rechters hebben moeite met de juridische en maatschappelijke context van
mensenhandel in de prostitutiesector. Dit blijkt uit een onderzoek dat de NRM
heeft gedaan naar de jurisprudentie inzake uitbuiting in de seksindustrie. De
uitspraken verschillen onderling wat betreft de juridische interpretatie van de
strafbepaling en de strafmaat. Daarom doet de rapporteur de aanbeveling aan de
zittende magistratuur zich te specialiseren, zoals het Openbaar Ministerie en de
politie dat al hebben gedaan. Een succesvolle aanpak houdt immers niet op bij de
vervolging. Binnen de rechtspraak moet een discussie worden gevoerd over de
strafwaardigheid en de te hanteren strafmaat voor mensenhandel.
Uitbuiting in andere sectoren
Slachtoffers van mensenhandel buiten de seksindustrie wordt nog lang
niet altijd ‘gezien’. Juridisch is de positie van de slachtoffers gelijk, maar
in de praktijk leeft de perceptie dat uitbuiting in de overige sectoren minder
erg is dan in de prostitutie. De ernst van de uitbuiting hangt echter niet af
van de sector waarin deze zich voordoet. Als voorbeeld wordt genoemd de
gebeurtenissen eerder dit jaar in een aspergestekerij in Someren. De reacties
van de diverse betrokken instanties laten zien dat de overige uitbuiting als
zodanig nog lang niet altijd wordt ‘gezien’.
Auteur
C.E. Dettmeijer-Vermeulen, M. Boot-Matthijssen, E.M.H. van Dijk, H. de Jonge van Ellemeet en M. Smit
Organisatie
Nationaal Rapporteur Mensenhandel



