Delen

Veelgestelde vragen Gebieds- en groepsverbod

Moet met het invoeren van de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast (MBVEO) de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) worden aangepast?

Nee, dit is niet nodig. De Wet geldt als aanvulling op het bestaande instrumentarium.

Wat zijn de verschillen tussen het gebiedsverbod via artikel 172a en het gebiedsverbod via artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet of de APV?
Verschil met artikel 172, derde lid, Gemeentewet:
  • Het bestaande artikel 172, derde lid, Gemeentewet bevat de 'lichte bevelsbevoegdheid' en is (over het algemeen) toepasbaar voor gebiedsverboden voor maximaal drie maanden. Met gebiedsverboden op grond van artikel 172a Gemeentewet zijn langer durende maatregelen mogelijk, maximaal voor een jaar.
  • Artikel 172, derde lid, Gemeentewet is algemener van aard en niet gespecificeerd naar de inhoud van het bevel: allerlei bevelen ter handhaving van de openbare orde zijn mogelijk. Het voorgestelde artikel 172a is specifieker en gericht op groepen of individuen en gaat uit van ordeverstoringen van structurele aard.
  • Artikel 172, derde lid, Gemeentewet biedt geen mogelijkheid voor een meldingsplicht of een groepsverbod. Het voorgestelde artikel 172a biedt die mogelijkheid wel.   
  • Artikel 172, derde lid, Gemeentewet kan bij een ordeverstoring zo nodig onmiddellijk worden toegepast. Toepassing van artikel 172a Gemeentewet vereist altijd dossieropbouw en dus een bepaalde voorgeschiedenis.

Verschil met APV:

  • Veelal ligt de lat voor het opleggen van de gebiedsverboden op grond van de APV laag. Een of enkele eerdere APV-overtredingen kunnen leiden tot een gebiedsverbod. Een gebiedsverbod op grond van het nieuwe artikel 172a vereist een langduriger patroon van herhaaldelijk (ernstig) overlastgevend gedrag. Het gaat dan om hardnekkige vormen van overlast.
  • De gebiedsverboden op grond van de APV kunnen, als ze van korte duur zijn, in mandaat door de politie worden opgelegd. Bij de gebiedsverboden op grond van artikel 172a is geen mandatering mogelijk.
  • Een gebiedsverbod kan volgens voorgesteld artikel 172a eventueel worden gecombineerd met een meldingsplicht. Voor gebiedsverboden op grond van de APV is dat niet mogelijk.
Wat is het verschil tussen een samenscholingsverbod en een groepsverbod?

Een samenscholingsverbod geldt in principe voor iedereen in een aangewezen gebied. In geval van samenscholing is de hele groep strafbaar.

Een groepsverbod is gericht op een specifieke persoon van wie het niet gewenst is dat deze zich in een groep ophoudt. Bij overtreding van een groepsverbod is alleen de persoon aan wie het bevel gericht is strafbaar. Een ander verschil is dat bij een samenscholingsverbod het element 'dreiging' moet vaststaan. Bij een groepsverbod niet.

Hoe groot kan een gebied zijn waarvoor het groepsverbod of het gebiedsverbod wordt ingesteld? Hoe specifiek moet een gebied gekozen worden?

Dit is afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek. Bij het vaststellen van het gebied moet de proportionaliteit in acht genomen worden. Sfeerbeelden van de politie kunnen daar een handvat in zijn. Het is raadzaam tussentijds te beoordelen of de grootte van het vastgestelde gebied voldoet.

Indien een persoon een gebiedsverbod opgelegd krijgt voor een gebied waar hij vanwege werk, school of woning toch moet zijn: hoe kan ervoor gezorgd worden dat hij daar toch kan komen?

De burgemeester kan in verband met persoonlijke omstandigheden aanvullende voorschriften verbinden bijvoorbeeld in de vorm van een vaste corridor. Via die route dient de betrokkene het gebied in en uit te gaan.

Is in de wettekst vastgelegd hoe groot een groep is?

Voor de toepassing van het groepsverbod in deze wet geldt dat een groep uit meer dan drie mensen bestaat. Dit aantal heeft geen consequenties voor de groepsgrootte van het samenscholingsverbod. Hiervoor geldt de APV en het achterliggende beleid van de betreffende gemeente.

Wat is de betekenis van het begrip ‘redelijk doel’ in artikel 172a, eerste lid, onderdeel b (groepsverbod)?

Het groepsverbod houdt in dat de betrokkene zich in de openbare ruimte op bepaalde plaatsen ‘niet zonder redelijk doel’ met meer dan drie personen mag ophouden. Voorbeelden van een redelijk doel zijn: sportbeoefening, het bijwonen van een evenement, het bijwonen van een eredienst, schoolbezoek, etc. De betrokkene zal het redelijk doel aannemelijk moeten maken. 

Het begrip ‘zonder redelijk doel’ komt ook in APV bepalingen voor, zoals het verbod zich zonder redelijk doel in een portiek op te houden. Over een dergelijke APV-bepaling heeft de Hoge Raad geoordeeld dat zij niet onverbindend is, nu de norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om gedrag in, onder andere, een portaal (HR, 1 september 1998, NJ 1999, 61). 

In artikel 172a, eerste lid, onderdeel b, is de norm in zoverre geconcretiseerd dat het gaat om een groep van vier of meer personen en om gedrag in de openbare ruimte.