Veelgestelde vragen VRKI

Per 1 april is alarmverificatie ingevoerd. Wat betekent dit voor gebruikers van inbraakalarm- en overvalalarminstallaties?
Zie hiervoor de antwoorden op veelgestelde vragen op de website van het VvBO:
- Veelgestelde vragen Inbraak
- Veelgestelde vragen Overval 

Staat uw vraag hier niet bij? Neem contact op met het CCV.
Ik maak een beveiligingsplan voor een brillenwinkel en kom, op grond van de VRKI en gebruik van de RC module Bedrijven, uit op klasse 2. Waarom zou je voor optie 2 kiezen als optie 1 ook voldoet?
Omschrijving object: winkel /showroom.
(a) Aanwezige goederen: brilmonturen en/of zonnebrillen (exclusieve merken) H Verzekerde waarde: € 8.000;
(b) Aanwezige goederen: brilmonturen en/of zonnebrillen (anders dan exclusieve merken) L Verzekerde waarde: € 10.000.

(a) is klasse 2 en (b) is klasse 1: hoogste risicoklasse telt, dus risicoklasse 2.

Maatregelen:
Optie 1 O1 + B1 + E1 + AL1 + R1 of (niet toegestaan bij ZH goederen);
Optie 2 O1 + B1 + C/M1 + E1 + AL1 + R1 of;
Optie 3 O1 + B0 + C/M2 + E2 + AL1 + R1

Als er kasgeld achterblijft (bijvoorbeeld € 1500 wisselgeld voor de eerstvolgende dag) dan is optie 2 van toepassing en kan voor dat wisselgeld een safe worden geplaatst. De adviseur die in zijn beveiligingsplan ook overvalpreventie meeneemt kiest ook voor optie 2 en stelt bijvoorbeeld voor een safe voor met openingsvertraging en afstortmogelijkheid.

Dure zonnebrillen kunnen in een afgesloten vitrine worden geplaatst. Ook zijn er speciale rekken die het afnemen van (zonne)brillen blokkeert. Bij gebruik overdag voorkomt dit ook winkeldiefstal. C/M1 is hier een meeneembeperkende maatregel.
Ik moet een museumboerderij beveiligen (met antieke rijtuigen en oude gebruiksvoorwerpen waaronder historische kleding e.d. die jaarlijks in de historische optocht worden gebruikt). Valt dit onder bedrijf (goederen eigen gebruik?) een winkel/showroom of onder magazijn/opslag? En wat is de attractiviteit L, M, H of ZH?
De categorie is goederen voor eigen gebruik, ook al kiest u voor winkel/showroom, dat maakt dat in de risicoklasse geen verschil. Vermeld bij aard object ‘Museumboerderij’. De categorie ‘magazijn/opslag’ is hier niet relevant (is bedoeld voor groothandel). Attractiviteit goederen groot antiek (antieke rijtuigen e.d.) is L tot € 300.000 klasse 1. Overig antiek (klein), kleding, accessoires, antieke gebruiksvoorwerpen is ook L.

Het risico voor de verzekeraar t.a.v. diefstal is laag, echter bij brand kan de gehele inventaris verloren gaan, dus hier zijn aanvullende maatregelen wellicht verstandig. Als er ook zilveren voorwerpen bij zijn, dan is het mogelijk een deel in te schalen op M. Tot € 5000 kan nog worden volstaan met risicoklasse 1, daarboven wordt het klasse 2. Die klasse kan ook worden gekozen omdat bij klasse 1 geen inbraaksignalering van toepassing hoeft te zijn en er voor de continuïteit van de (stichting? Particuliere verzameling?) een vorm van alarmering en opvolging mag worden verwacht.

De VRKI gaat uit van ‘standaard’ risico’s. Voor het beveiligen van Nationaal erfgoed is maatwerk van toepassing waarbij klasse 4* meer regel dan uitzondering is.

Zie voor meer informatie: www.museum-security.org
Ik moet een apotheek beveiligen. Waar vind ik de categorie (attractieve goederen) die hier van toepassing is, in de oude lijst kwam dit wel voor?
Het uitgangspunt is altijd: 'wat valt er te halen' of 'waar komen ze voor'! Kijk bij "geneesmiddelen met en zonder opiaten” ook "cosmetische artikelen" kunnen van toepassing zijn. Uitgaan van "winkel/showroom", en bij computerapparatuur voor eigen gebruik. dus géén groothandel.

Een "gemiddelde" Apotheek komt, t/m een verzekerde waarde van € 150.000, daarmee terecht in risicoklasse 2. Indien er echter contant geld (ZH) achterblijft in het pand, dient u daarmee ook rekening te houden in het beveiligingsplan. Bij twijfel kunt u altijd bij de verzekeraar terecht en het PvE daar aanbieden voor akkoord.
Is een horecaonderneming (bijvoorbeeld een café) een bedrijf (goederen in eigen gebruik) of een winkel? Er worden immers goederen (drank/voedsel) verkocht.
Een café kan men inschalen door in de RC module 2 invulopties te gebruiken:
1 goederen voor eigen gebruik (inventaris waaronder beeld- en geluidsapparatuur) met de verzekerde waarde.
2 zaken die er verkocht worden (drank/tabak etc.) onder winkel met de verzekerde waarde eventuele voorraad ook onder winkel. Niet als magazijn/opslag; dat is bedoeld voor een groothandel.
Bij de maatregelen R2 en R3 wordt een alarmopvolgingstijd van maximaal 15 minuten geëist. Van de particuliere beveiligingsorganisatie waarmee wij een contract hebben, heb ik vernomen dat dit geen reële eis is. Het is structureel onhaalbaar. Een eis van 30 minuten is beter haalbaar. Hoe moet ik hier mee omgaan?
De VRKI is gebaseerd op de meest voorkomende risico's en beveiligingsmodellen, waarbij wordt uitgegaan van prestatie-eisen. Uitgangspunt is dat de beveiligingsmaatregelen behalve een snelle detectie- en alarmering, de nodige tijdvertraging opleveren, zodat de alarmopvolgers tijdig (zo snel als mogelijk is) op het risicoadres kunnen zijn.

In situaties waar dit niet haalbaar zal zijn, dienen in het PvE aanvullende maatregelen te worden omschreven die de kans op schade zoveel mogelijk beperken. Gedacht kan worden aan alarm-verificatietechnieken die doormelding naar de politie met prioriteit 1 mogelijk maken, meer (zwaardere) bouwkundige en/of (meeneembeperkende/compartimenterings- maatregelen) in te zetten of met schillentechniek het gewenste resultaat te bereiken.

Dat enkele particuliere beveiligingsorganisaties stellen dat de aanrijdtijd van > 30 minuten meer regel is dan uitzondering, zegt mogelijk ook iets over de bezetting en/of werkdruk en tijdtip van optreden. Een belangrijk onderdeel van een goed beveiligingsplan begint met een risicoanalyse, waarin de samenhang van de beveiligingsmaatregelen in overeenstemming moet zijn met het soort risico.

Het gaat om het effect van schadepreventie door goede opvolging:
R1 = sleutelhouder = 20 minuten;
R2 = particuliere beveiligingsorganisatie = 15 minuten;
R3 = politie + particuliere beveiligingsorganisatie + technische alarmverificatie = 15 minuten.

In het geval van R2 en R3 zou een prestatiecontract met de aanbiedende particuliere beveiligingsorganisatie kunnen worden overeengekomen.

NB: de alarminstallateur kan niet verantwoordelijk zijn voor uitvoering van de organisatorische maatregelen en alarmopvolging, dit valt buiten zijn leveringsomvang. Wil men hierover een kwaliteitsoordeel hebben, dan is een inspectie op zijn plaats. Bovendien komt het voordeel van een collectieve beveiliging/bewaking goed tot uitdrukking want 15 minuten is dan heel gemakkelijk te halen.
Is technische alarmverificatie verplicht?
Niet in risicoklasse 1,2 en 3. Wordt de alarmopvolging door sleutelhouders of een particuliere beveiligingsorganisatie uitgevoerd, dan is dit een vorm van persoonlijke alarmverificatie. Nadat er door de alarmopvolger(s) is vastgesteld dat het een terechte inbraakmelding betreft, kan de politie worden gewaarschuwd.

Wil men echter dat de politie snel kan worden ingeschakeld, dan is technische alarmverificatie noodzakelijk. Bij risicoklasse 4 voor bedrijven is technische alarmverificatie wel verplicht. (Zie niveau R3 in de tabel beveiligingsklasse).
Er wordt een object aangetroffen waar geen analoge telefoonlijn aanwezig is voor de alarmtransmissie, de klant maakt gebruik van een breedbandaansluiting (ADSL) voor zowel internet als voor telefonie. Op welke manier kan ik de inbraakalarminstallatie op de PAC aansluiten?
Allereerst geldt de prestatie-eis. De tabel in de beveiligingsklasse stelt daarvoor AL0. AL1, AL2 of AL3 van toepassing. Voor alarm over IP is een advies document gemaakt door het VvBO.

Dit advies is, met enkele uitzonderingen voor de lage risico’s, overgenomen in de VRKI (document D03-385 'Definities beveiligingsmaatregelen' artikel 6.4.1 t/m 6.4.7) Door deze werkwijze te volgen kunt u voldoen aan de gestelde prestatie-eisen en een BORG-certificaat afgeven.

Zoals voor iedere eis in de VRKI (hoofdstuk 1) en de BRL BORG 2005 (artikel 4.2.3. programma van eisen) geldt bovendien dat aan de eisen is voldaan als de oplossing gelijkwaardig is. Het is daarbij wel noodzakelijk dat u die gelijkwaardig aannemelijk maakt.
Waarom is er een AL3 alarmtransmissie traject ingevoerd?
Bij zeer hoger risico’s is het noodzakelijk om bij een calamiteit in de PAC zichtbaar te krijgen waar er in object een (inbraak)melding ontstaat. Zeker bij omvangrijke objecten is dat noodzakelijk om de alarmopvolging van de juiste informatie te kunnen voorzien.

Ook wanneer alarmverificatie wordt toegepast door middel van ‘meerdere zones’ is die informatie belangrijk om de politie direct te mogen waarschuwen. Bij uitval van de AL2 verbinding wordt dit wel gesignaleerd in de PAC maar is ook het “zicht” op de situatie verbroken. En als de kabelverdeler van KPN wordt gesaboteerd vallen er misschien wel meer objecten met een AL2 verbinding uit. Je wilt dan als PAC wel weten waar ‘het’ te doen is. Bij het AL3 niveau is een back-up traject voorzien bijvoorbeeld via GPRS.
Klopt het dat de VRKI bij E2 geen onderscheid maakt tussen publiekstoegankelijke ruimtes en niet-publiekstoegankelijke ruimtes voor anti-mask detectoren? Oftewel: moet overal anti-masking worden toegepast? Dat komt neer op het vervangen van alle ruimtelijke detectie zonder anti-masking in E2 op het moment dat er een nieuw certificaat moet komen.
Dit is deels juist, het onderscheid tussen ruimtes die voor publiek toegankelijk zijn en ruimtes die dat niet zijn, is nogal subjectief. Het afdekken van detectoren kan ook in ruimtes die niet voor publiek toegankelijk zijn, als er bijvoorbeeld door eigen personeel of schoonmaakdiensten (onbewust) goederen voor een detector worden geplaatst. Ook wordt er in de VRKI van uitgegaan dat er interne criminaliteit kan voorkomen waarbij detectoren bewust worden afgedekt. Vandaar de eis om bij E2 ruimtelijk werkende detectoren met anti-masking moeten worden toegepast. Een en ander strookt ook met de Europese regelgeving NEN-EN 50131 / CEN/TS 14383-4.

Wel is hier enige nuancering op zijn plaats. Bij het opnieuw verstrekken van een BORG-certificaat moet worden nagegaan of het risico is gewijzigd. De VRKI gaat uit van andere getallen (verzekerde bedragen) en omstandigheden (goederen eigen gebruik / winkel-showroom / magazijn-opslag) dan de oude RKI. Het kan dus zijn dat u voorheen in klasse 3 uitkwam, nu in klasse 2 terechtkomt met E1 als eis (geen anti-masking voor ruimtelijk werkende detectoren). Ook kunt u gebruik maken van partiële beveiliging. De RisicoClassificatie module geeft hiervoor de mogelijkheden aan door middel van twee invulopties. Hierbij wordt duidelijk welke risicoklasse per bedrijfsonderdeel van toepassing is.

Voorbeeld: een magazijn met kantoor: Omschrijving 1 object: kantoorgoederen eigen gebruik (computers H) t.w.v. maximaal € 150.000 geeft klasse 2 met E1 als maatregel. Omschrijving 2 object: magazijngoederen H t.w.v. maximaal € 300.000 geeft klasse 3* met E2 als maatregel (wel anti-masking voor ruimtelijk werkende detectoren).

De voorwaarde is van toepassing dat de scheidende constructie tussen kantoor en magazijn voldoet aan het B niveau van de gekozen combinatie, die wordt uitgevoerd voor hoogste risicoklasse. De VRKI is dus beter afgestemd op de praktijk dan de oude RKI. Dit geldt niet alleen voor de uitkomst in een risicoklasse, maar ook voor de keuze van verschillende combinaties van de uit te voeren beveiligingsmaatregelen.

Indien de opdrachtgever niet bereid is te investeren, kunnen de elektronische maatregelen volgens E1 worden uitgevoerd, maar de consequentie is dan wel dat er slechts een BORG Opleveringsbewijs Alarminstallatie mag worden afgegeven.
In het VRKI document D03-385 ‘Definities Beveiligingsmaatregelen’ staat in artikel 4.3.3 "Openstand detectie op de voor inbrekers bereikbare gevelopeningen”. Betekent dit dat ik een pand beveiligd op niveau E2 volledig moet voorzien van contacten op alle gevelopeningen ook als de attractieve goederen zich niet direct in die ruimte bevinden?
Bij toepassing van E2 is openstanddetectie van toepassing op alle beweegbare gevelelementen die voor inbrekers bereikbaar zijn (NEN 5087). De omschrijving van de omvang van de beveiliging is ontleend aan de Europese norm NEN-EN 50131-7 / NPR-CLS/TS 50131-7.

Doelstelling is dat bij een inbraak(poging) zo snel mogelijk moet worden gedetecteerd, vóór of op het moment van betreden van het pand. Met openstanddetectie wordt tevens bereikt dat alle ramen en deuren dicht zijn bij inschakeling van het inbraakalarmsysteem. Indien bij het ontwerp hiervan wordt afgeweken dient u dat in het PvE, duidelijk en met reden omschreven, te vermelden. Bijvoorbeeld in een situatie waarin inpandige vertraging wordt toegepast voordat de ruimten met attractieve goederen bereikt kunnen worden.

Voorbeeld: kantoordeel van een object valt in risicoklasse 2 (met E1 als maatregel) en het magazijn met attractieve goederen valt in risicoklasse 3 (met E2 als maatregel) Bij niveau E1 beperkt de openstanddetectie zich tot de (toegangs)deuren en nooduitgangen van het pand. Maatwerkoplossingen zijn altijd toegestaan, mits er een samenhangend geheel van maatregelen wordt bereikt, dat de kans op (diefstal) schade voldoende beperkt.
In het VRKI document D03-385 ‘Definities Beveiligingsmaatregelen’ wordt bij E1 en E2 gesproken over“ruimtedetectie op plaatsen waar zich attractieve goederen concentreren en op strategische plaatsen in het pand voor vroegtijdige detectie”. Wat wordt verstaan onder concentratie van attractieve goederen? Of volstaan we hier met ruimtelijke bewaking van de verkeerswegen?
Doelstelling bij de projectie van de inbraakdetectie is dat de inbreker wordt gesignaleerd voordat deze er met de attractieve goederen vandoor gaat. Het hangt mede af van de omschrijving van het object, in een winkel of magazijn is sprake van een concentratie van attractieve goederen.

Het hangt samen met het afbreukrisico of iedere ruimte altijd moet worden voorzien van detectie. Er kan bijvoorbeeld worden volstaan met ruimtedetectie in de verkeersruimten in situaties waar de (kantoor)vertrekken waarin Pc’s staan niet bereikbaar zijn voor inbrekers (NEN 5087) dus op een tweede of hogere etage zijn gelegen en om die ruimten bereiken minimaal twee afzonderlijke detectiezones worden geactiveerd (om alarmverificatie in meerdere zones te bewerkstelligen).
Is klasse 3* hoger dan klasse 3.
Ja, Bij klasse 3* is AL2 van toepassing en bij klasse 3 kan worden volstaan met een alarmtransmissie-traject op niveau AL1. Dit onderscheid is gemaakt omdat in de oude risicoklassenindeling dit verschil ook aanwezig was: winkels/showrooms in klasse 3 mocht doormelden met een AL1 en bedrijven en instellingen in klasse 3 moest dit met een AL2.

Nu is klasse 3 opgedeeld in twee segmenten:
Goederen ZH met een verzekerde waarde van € 5.000 tot € 75.000 valt in klasse 3.
Goederen H met een verzekerde waarde van € 150.000 t/m € 300.000 evenals goederen M met een verzekerde waarde < € 300.000 in vallen in klasse 3* zie tabel 1 in document D03-376 ‘Risicoklassen indelingen voor bedrijven’.
Waarom is schildetectie ingevoerd bij ’voorwaarden’ in risicoklasse 3 en 4?
Het gaat er om dat bij een (poging tot) inbraak eerst een alarmmelding moet ontstaan en er daarna wordt vertraagd om de tijd voor het verzamelen van de buit te beïnvloeden. Als je geen inpandige vertraging toepast (C/M maatregelen) dan ben je afhankelijk van de schil van het gebouw. Hoe zwaar de bouwkundige beveiliging van die schil ook is, de inbreker kan via het gevelelement (de gevel) altijd de toegang tot het pand forceren. Het inbraakalarm gaat dan pas af als de inbreker binnen is (dus te laat).

Vandaar dat in de hogere risicoklassen bij attractieve goederen H en ZH schildetectie wordt voorgeschreven als niet de juiste inpandige C/M maatregelen worden getroffen. Het doel is duidelijk: inbraakalarm bij eerste aanval, voordat men de schil heeft doorbroken. Detectie op de schil is effectief uit te voeren, bovendien is terreindetectie (buitendetectie) of camerabewaking (met motion-detectie of Video Content Analyse) óók een vorm van schildetectie.
Is toepassing van draadloze componenten toegestaan bij E2?
Nee, in beginsel is draadloos bij het niveau E2 niet toegestaan. (Tabel 1 in artikel 4.3.2 in document D03-385 'Definities beveiligingsmaatregelen').

Voor maatwerkoplossingen geldt dat de installateur afwijkingen kan vastleggen in het PvE en deze kan voorleggen aan de eisende partijen. Door deze werkwijze te volgen kan een BORG-certificaat worden afgeven.

Het CCV initieert nader overleg tussen verzekeraars, leveranciers en VvBO, specifiek over draadloze systemen. Er moet vanuit de verzekeringsbranche genoeg vertrouwen zijn in de draadloze producten om dit mogelijk te maken. Vanuit de installateurs komt de opmerking dat de markt vraagt om draadloos. Hier zal rekening mee worden gehouden.
Is een safe verplicht bij woningen als er sieraden, geld of waardepapieren aanwezig zijn ter waarde van meer dan € 11.000, zoals in de voorgaande risicoklassenindeling staat vermeld?
Nee, in de VRKI is deze eis vervallen. Dit valt onder de verantwoording van de bewoner. Wel dient u in dit soort situaties aan de klant te vragen of die sieraden verzekerd zijn en zo ja, welke eisen de verzekeraar heeft gesteld ten aanzien van de omstandigheden waaronder die sieraden, geld en waardepapieren moeten worden bewaard.

In de (standaard) inboedelverzekeringspolissen zijn beperkingen van toepassing ten aanzien van de maximaal uit te keren vergoeding bij diefstalschade. Desgewenst kan de klant die extra verzekeren. De risicoklasse waarin een woning wordt ingeschaald volgens de VRKI, staat los van eventuele eisen die verzekeraars kunnen stellen ten aanzien de te treffen beveiligingsmaatregelen rond sieraden, geld en waardepapieren.
Mag ik, wanneer de kast/safe in een beveiligde ruimte staat en de op te bergen waarde € 14.000 is, een CEN 0 safe adviseren?
Ja, in document D03-385 ‘Definities beveiligingsmaatregelen’ staat:

Opmerking bij 5.8.2; dekkingsindicatie: Voor safes en kluizen die zich binnen het ruimtelijk beveiligd gebied bevinden kan de dekkingsindicatie worden verdubbeld. Bij een safe of kluis geplaatst in een C2 of C3 compartiment kan de dekkingsindicatie worden verdrievoudigd (schillentechniek).
Waarom is er bij woningen voor B0 gekozen terwijl inbraakbeveiliging moet worden bereikt?
In document D03-385 ‘Definities beveiligingsmaatregelen’ staat: 3.2.1 Niveau B0: Het aanwezige hang- en sluitwerk waarvan niet kan worden aangetoond dat deze producten of combinaties van producten voldoen aan de BRL 3104 of niet voldoen aan weerstandsklasse 2 van de NEN 5096. Kortom: het bestaande hang- en sluitwerk handhaven.

In voorkomende gevallen (zie tabellen beveiligingsklasse) zijn hiervoor aanvullende E en/of C/M maatregelen vereist. Het niveau B1 heeft de voorkeur, B0 is een uitwijk mogelijkheid.

Niet iedere huiseigenaar/bewoner is bereid te investeren in hang- en sluitwerk, als alternatief is bij woningen in risicoklasse 1 inpandige C/M maatregelen en bij klasse 2 inpandige C/M maatregelen + een inbraakalarminstallatie toegestaan, ter compensatie voor de eis B1. In beide gevallen is het diefstalrisico gelijkwaardig afgedekt.

Als de klant wil voorkomen dat men zijn woning betreedt, dan is B1 het meest effectief (PKVW stelt: >80% reductie van de kans op een inbraak) maar iedere barrière is te slechten. Bij een (luid) inbraakalarm zal een inbreker niet veel tijd nemen om op zoek te gaan naar zijn buit.

O-maatregelen moeten voorkomen dat attractieve zaken van de inboedel zomaar voor het grijpen liggen. Dit geldt overigens ook voor bedrijven in risicoklasse 1, 2 en 3 als daarvoor inpandige C/M maatregelen zijn getroffen die aan het vermelde niveau voldoen, kan de combinatie met B0 volstaan.
In het document D03-376 Verbeterde Risicoklassenindeling voor bedrijven wordt gesteld dat Bs, Bn en Bz overeenkomstig zijn met B1, B2 en B3. Moet er bij B2 wel of geen glasafscherming toegepast worden?
Niveau B2 kan bij nieuwbouw worden bereikt door gebruik te maken van geattesteerde gevelelementen (weerstandsklasse 3 van de NEN 5096:1998/A1:2002 nl.) In de bestaande toestand kan het niveau B2 ook worden bereikt door het toepassen van aanvullende mechanische maatregelen zoals traliewerk, rolluiken of inbraakwerende beglazing.

De eis aan vlakvullingen van glas in het gevelelement (B2) is volgens de NEN-EN 356 klasse P4A. De eisen in het PKVW gaan niet verder dan B1 (weerstandsklasse 2 met 3 minuten inbraakvertraging) waarbij isolerend dubbel glas voldoet of licht inbraakwerend glas P2A mag worden toegepast. De BRL 3104 (voor bestaande bouw) gaat alleen over het hang - en sluitwerk (manuele test) en gaat niet in op de eisen aan vlakvulling met beglazing www.skg.nl.

Voor bedrijfspanden hanteren we (in de VRKI) voor B2 en B3 de norm NEN 5096 of maatregelen die daaraan gelijkwaardig zijn. (hang- en sluitwerk **/***, inbraakwerende beglazing dan wel glasafscherming met rolluiken of voldoende zwaar traliewerk/siersmeedwerk.

In voorkomende situaties is het vaak efficiënter om niet de volle aandacht aan het beveiligen van de gevelelementen te besteden (die worden niet gestolen) maar inpandige maatregelen te treffen in de vorm van compartimentering of meeneembeperkende maatregelen. Het gaat immers om het beveiligen van attractieve goederen. Eerst signaleren/alarmeren en daarna vertragen!

Voor (winkel) panden waar de attractieve goederen direct achter de (glas)gevel staan uitgestald, geldt natuurlijk wel een schilbeveiliging op niveau B2/B3. Zie ook: document D03-394 ‘Inbraakwerende beglazing’ en document 002757 ‘Installatievoorschriften voor rolluiken, rolhekken en schaarhekken’.
In 2007 is een nieuwe versie verschenen van de NEN 5096. Deze nieuwe versie stelt dat voorgaande versies zijn vervallen. Is de versie 2007 van toepassing bij de bouwkundige niveaus in de VRKI?
Nee, de VRKI verwijst nog naar de versie NEN 5096:1998/A1:2002 nl. In 2007 is een nieuwe versie verschenen van de NEN 5096 (Inbraakwerendheid - Dak- of gevelelementen met deuren, ramen, luiken en vaste vullingen - Eisen, classificatie en beproevingsmethoden) De NEN 5096 geldt voor nieuwbouw (geattesteerde gevelelementen).

In de versie van 2007 is geen sprake meer van weerstandsklasse 4 (B3 in definities) zoals in de vorige versie nog voorkwam. Ook de eisen voor vlakvulling van glas zijn gewijzigd.

Voor weerstandsklasse 4 en hoger wordt verwezen naar de ENV 1627. De klankbordgroep VRKI zal zich nader beraden hoe dit in de VRKI moet worden opgelost.
In de lijst met attractieve goederen 2007 zijn beeld en geluidsdragers zoals Cd’s en Dvd’s niet opgenomen. Waaronder moeten die worden ingeschaald?
In januari 2009 is een nieuwe lijst met attractieve goederen uitgebracht door het Verbond van Verzekeraars. Op deze lijst zijn beeld en geluidsdragers toegevoegd. (H) eigen gebruik en (ZH) winkel/showroom, magazijn/opslag. Het Verbond van Verzekeraars zal er op toezien dat op basis van actuele ontwikkelingen in de verzekeraarsmarkt nieuwe attractieve goederen aan de lijst worden toegevoegd en waar nodig inschalingen worden aangepast.
In de lijst attractieve goederen wordt op twee plaatsen computerapparatuur genoemd, Computers, (inclusief DTP-apparatuur, CAD/CAM) = ZH bij eigen gebruik, en Computers (‘stand-alone’ en servers) = H bij eigen gebruik. Welke categorie moet worden aangehouden in een kantoorpand met Pc’s die zijn aangesloten op een netwerk?
Bij computers (inclusief DTP,CAD,CAM apparatuur) moet worden gedacht aan krachtige computersystemen voor bijvoorbeeld 3D tekenwerk bij productiebedrijven in hout, metaal, kunststofextrusie en in de grafische industrie en vergelijkbare toepassingen. Voor alle overige computers kan worden uitgegaan van “Stand-alone en servers”
In de lijst met attractieve goederen, worden auto's gesplitst in exclusieve of diefstalgevoelige merken en andere merken. VW is erg diefstalgevoelig is het dan exclusief?
De VRKI geeft aan; Exclusieve goederen en A-merken hebben een verhoogde aantrekkelijkheid voor diefstal door goede verhandelbaarheid in combinatie met een hoge waarde.

Niet alle VW’s vallen daaronder maar de topmodellen als de GOLF TDI en Touareg wel. Vaak zien we ook dat VW en AUDI bij één dealer zijn ondergebracht en AUDI is zeker een A-merk. Voor AUDI en de genoemde modellen van VW spreken we van een A-merk en moet de attractiviteit ook zo worden bepaald.

Neem bij twijfel contact op met de verzekeraar.
Het oude BORG-opleveringsbewijs (Es) van een klant is verlopen, de verzekeraar vraagt om een nieuw bewijs. Het risico is niet gewijzigd. Als ik nu de VRKI hanteer, kom ik uit op E2. Hoe moet ik hiermee omgaan?
De klant wil niet investeren in extra maatregelen (aanpassen van Es naar E2 met anti-masking detectoren) omdat er niets is gewijzigd en het bij oplevering vijf jaar geleden ook goed was.

De verzekeraar stelt dat er E2 moet worden uitgevoerd omdat dit in de VRKI staat. De eisende partij (risicodrager/verzekeraar) is de instantie die hierop een antwoord moet formuleren, het BORG-bedrijf is gehouden jaarlijks bij onderhoud te controleren of de situatie (het risico) is gewijzigd. Indien op een lager niveau beveiligingsmaatregelen zijn aangebracht kan een BORG Opleveringsbewijs Alarminstallatie worden afgegeven, maar dit zegt niets over het ‘beveiligend vermogen’ maar alleen iets over de inbraakalarminstallatie.

De geleverde maatregelen worden daarmee gebonden aan de alarminstallatie in plaats van risicogebonden. Hierbij kan worden opgemerkt dat ten tijde van de afgifte van het Es-document waarschijnlijk ‘En’ van toepassing was (het risico is immers niet gewijzigd).
Ben ik als beveiligingsbedrijf verplicht de VRKI toe te passen?
Ja, BORG-beveiligingsbedrijven en bedrijven met een VEB-erkenning hebben in hun kwaliteitssysteem opgenomen dat voor elk ontwerp en het onderhoud gebruik moet worden gemaakt van de VRKI om bij aanvang (ontwerp) het risico vast te stellen en bij onderhoud te controleren of het risico is gewijzigd.

Doel hiervan is om met objectieve gegevens tot gelijkwaardige beveiligingsoplossing te komen. Beveiligingsbedrijven die niet erkend zijn door de VEB of niet BORG gecertificeerd zijn hebben die verplichting niet, maar doen er verstandig aan zich hieraan te conformeren.
Wat is de rol van het Verbond van Verzekeraars in relatie tot de BORG-regeling en de VRKI?
Het Verbond van Verzekeraars kan de BORG BORG-regeling en de VRKI niet verplicht stellen aan haar leden, maar ondersteunt de BORG-regeling en de VRKI ten zeerste.

Uitgangspunt: BORG erkende technische beveiligingsbedrijven en alarminstallateurs zijn verplicht de VRKI toe te passen. Verzekeraars zijn individueel bevoegd eigen eisen te formuleren en dus af te wijken. De NMA maakt het niet mogelijk om de VRKI als enige geldende regelgeving voor te schrijven, maar het verbond van Verzekeraars stimuleert de VRKI en de BORG gecertificeerde beveiligingsbedrijven.
Waar kan ik terecht voor vragen over de VRKI?
Voor vragen over de VRKI kunt u contact opnemen met de Informatiedesk van het CCV. Deze heeft contact met de klankbordgroep VRKI en zal ervoor zorg dragen dat uw vraag beantwoord wordt. Mocht uw vraag aanleiding geven tot discussie, dan zal de vraag behandeld worden in een bijeenkomst van de klankbordgroep VRKI. In de CCV nieuwsbrief nummer 26 van juli 2008 is bekendgemaakt dat er een klankbordgroep VRKI is opgericht en wat de rol en functie van deze klankbordgroep is.