Veelgestelde vragen VRKI

Wanneer mogen BORG Beveiligingscertificaten en BORG Opleveringsbewijzen worden afgeven?

Een BORG Beveiligingscertificaat mag alleen worden afgegeven wanneer de beveiligingsmaatregelen volgens de geconstateerde risicoklasse zijn uitgevoerd. Dit kan behalve met de standaardoplossingen van de VRKI, ook met maatwerk bereikt worden: met een alternatieve (combinatie van) maatregelen. Het is van belang dat de beveiligingsmaatregelen van het maatwerk leiden tot een gelijkwaardig resultaat. Maatwerkoplossingen moeten in het programma van eisen worden vastgelegd en worden voorgelegd aan de eisende partijen.

Als er een combinatie van beveiligingsmaatregelen op het niveau van een lagere risicoklasse is uitgevoerd, dan mag er géén BORG Beveiligingscertificaat afgegeven worden. Dit is bijvoorbeeld zo als voor een bedrijf in risicoklasse 2 de maatregelencombinatie 01+B0+E1+R1 is uitgevoerd, in plaats van de geëiste combinatie 01+B1+E1+ R1. Er mag dan wel een BORG Opleveringsbewijs worden afgegeven. Een BORG Opleveringsbewijs wordt afgegeven voor een combinatie van verschillende typen maatregelen (O, B, E, C/M, AL en/of R) die niet voldoet aan de eisen die horen bij de geconstateerde risicoklasse.

O:

Organisatorische maatregelen

 B:

Bouwkundige maatregelen

 E:

Elektronische maatregelen

 C/M:

Compartimentering/Meeneembeperkende maatregelen

 Al:

Alarmering

 R:

Reactie (alarmopvolging)

Een BORG Opleveringsbewijs mag ook worden afgegeven als de uitgevoerde beveiliging een deeloplossing betreft. Bij een deeloplossing bestaat de uitgevoerde beveiliging uit alleen bouwkundige maatregelen (Opleveringsbewijs bouwkundige beveiliging) of uit alleen elektronische maatregelen (Opleveringsbewijs alarminstallatie).

Als voor een Opleveringsbewijs alarminstallatie wordt gekozen, dan wordt geadviseerd om het hoogste niveau van de E + R maatregelen uit te voeren, dat in de matrix voor de betreffende risicoklasse wordt genoemd. Maar ook als de E + R maatregelen op een lager niveau worden uitgevoerd, mag een Opleveringsbewijs alarminstallatie afgegeven worden.

Indien er in risicoklasse 3 of 4 wordt gekozen voor een combinatie van beveiligingsmaatregelen waarbij schildetectie wordt geëist, dan geldt deze eis ook voor een Opleveringsbewijs alarminstallatie.

In hoeverre is het gebruik van de VRKI verplicht?

BORG Beveiligingsbedrijven zijn verplicht de VRKI toe te passen bij ieder ontwerp van en onderhoud aan beveiligingsconcepten. Dit is in hun kwaliteitssysteem opgenomen.

Ook installateurs met een VEB erkenning hebben zich verplicht tot toepassing van de VRKI.

Overige beveiligingsbedrijven doen er verstandig aan om zich hieraan te conformeren. Door toepassing van de VRKI wordt de werkwijze van beveiliging zoveel mogelijk geobjectiveerd om tot gelijkwaardige beveiligingsconcepten te komen.

Verzekeraars zijn individueel bevoegd om eigen eisen te formuleren. Zij kunnen derhalve afwijken van toepassing van de VRKI. Het Verbond van Verzekeraars stimuleert de toepassing van de VRKI wel.

Wat te doen indien de risicoklasse en/of geëiste beveiligingsmaatregelen zijn gewijzigd bij hercertificering?

BORG Certificaten en BORG Opleveringsbewijzen zijn 5 jaar geldig (mits jaarlijks onderhoud is uitgevoerd). Als een document is verlopen, dient de risicoklasse opnieuw vastgesteld te worden. Door gewijzigde regelgeving en/of een gewijzigd risico kan de nieuwe risicoklasse afwijken van de oorspronkelijke risicoklasse. Ook kunnen de geëiste beveiligingsmaatregelen veranderd zijn.

Bij hercertificering dienen de beveiligingsmaatregelen volgens de huidige regelgeving uitgevoerd te worden. Bij een gewijzigde risicoklasse dienen de beveiligingsmaatregelen die bij de nieuwe risicoklasse horen, uitgevoerd te worden. Het kan derhalve voorkomen dat aan een nieuw certificaat of opleveringsbewijs aanvullende eisen worden gesteld.

Componenten voor inbraakpreventie die ten tijde van een hercertificering niet meer op de productlijsten van het NCP en/of REQ staan, hoeven niet vervangen te worden. Componenten die in eerste aanleg aan de eisen voldeden, behouden hun geldigheid, ook als ze niet meer geregistreerd zijn.

Hoe moet ik de attractiviteitlijst van de VRKI voor bedrijven interpreteren?

Als Bijlage 1 bij de VRKI voor bedrijven en op de achterzijde van de VRKI-kaart vindt u de attractiviteitlijst van de VRKI voor bedrijven, een indeling naar attractiviteit van goederen en inventaris. Naast de waarde van goederen en inventaris is de attractiviteit bepalend voor de risicoklasse van het bedrijf.

In bedrijven kunnen verschillende soorten goederen en/of inventaris aanwezig zijn, met een verschillende waarde en een verschillende attractiviteit. Indien in een bedrijf goederen en/of inventaris van een verschillende attractiviteit aanwezig zijn, dan is de hoogste attractiviteit (L, M, H of ZH) van toepassing. De waarde van goederen met een gelijke attractiviteit moet bij elkaar opgeteld worden om de risicoklasse te bepalen.

In een gebouw met verschillende ruimten (bijvoorbeeld een kantoor en een magazijn) is het ook mogelijk om partiële beveiliging toe te passen. Hierbij moet de scheidende constructie tussen de partiële ruimten voldoen aan het B-niveau van de gekozen combinatie die wordt uitgevoerd voor de hoogste risicoklasse.

Het Verbond van Verzekeraars ziet toe op de actualiteit van de attractiviteitlijst. Op basis van actuele ontwikkelingen in de verzekeringsmarkt worden nieuwe attractieve goederen aan de lijst toegevoegd en inschalingen aangepast.

Bij twijfel over de interpretatie van de attractiviteit van een goed (bijvoorbeeld of een goed wel/niet exclusief is), dient contact opgenomen te worden met de verzekeraar.

Waarom kan er volgens de beveiligingsmatrix voor zowel woningen als bedrijven gekozen worden voor combinaties van beveiligingsmaatregelen met B0?

Als gekozen wordt voor een combinatie van beveiligingsmaatregelen met B0, dan wordt ervoor gekozen om het aanwezige hang- en sluitwerk te handhaven. In dat geval zijn aanvullende E- en/of C/M-maatregelen vereist om het diefstalrisico gelijkwaardig af te dekken.

Voor het verkleinen van het inbraakrisico zijn combinaties van beveiligingsmaatregelen met B1 effectiever dan combinaties met B0. Combinaties van beveiligingsmaatregelen met B1 hebben daarom de voorkeur, combinaties met B0 zijn uitwijkmogelijkheden. Het niveau B0 biedt beveiligingsmogelijkheden voor bijzondere gebouwen waar B1 niet mogelijk is.

Wanneer zijn draadloze alarmsystemen toegestaan?

Voor woningen zijn draadloze alarmsystemen toegestaan bij Ed (E-domestic) en E1. Voor bedrijven zijn draadloze alarmsystemen alleen toegestaan in risicoklasse 1, bij E1.

Aan het ontwerpen, aanleggen en onderhoud van zowel bedrade als draadloze alarmsystemen worden eisen gesteld in de Installatievoorschriften voor alarmapparatuur (document 002080) en de Voorschriften beheer en onderhoud alarmapparatuur (document 002079). Daarnaast worden in Document D03/385, VRKI Definities Beveiligingsmaatregelen, extra eisen aan draadloze alarmsystemen gesteld (paragraaf 4.3.2).

Welke eisen stelt de VRKI aan alarmtransmissie/doormelding?

De eisen aan alarmtransmissie/doormelding zijn beschreven in Document D03/385, VRKI Definities Beveiligingsmaatregelen. Hieronder wordt een aantal veelvoorkomende onduidelijkheden uitgelicht.

Alarmtransmissie naar een (mobiele) telefoon of een PAC
Alarmtransmissie kan zowel naar een (mobiele) telefoon als naar een Particuliere Alarm Centrale (PAC). Alarmtransmissie naar een (mobiele) telefoon is alleen toegestaan bij AL0 (bij Ed). Bij Ed is de alarmtransmissie naar een (mobiele) telefoon niet verplicht. Er kan ook gekozen worden voor een akoestisch alarm in of aan het object en/of een optisch alarm dat zichtbaar is vanaf de openbare weg. Bij AL1, AL2 en AL3 dient doorgemeld te worden naar een PAC.

Alarmtransmissieweg
Alarmtransmissie naar een PAC mag bij AL1 via alle mogelijke verbindingen (GSM, automatische telefoonkiezer, etc.). Bij AL2 en AL3 dient de transmissieweg continue bewaakt te zijn. Alarmtransmissie via een GSM is dan niet toegestaan.     

Alarmtransmissieverbinding
Voor de alarmtransmissie kan gekozen worden voor een analoge of ISDN-verbinding of voor een AoIP-verbinding (Alarm over IP-verbinding). In Tabel 2 van Document D03/385, VRKI Definities Beveiligingsmaatregelen, worden de inrichtingseisen voor een alarmtransmissieverbinding samengevat.

De geschikte AoIP-verbindingen zijn vermeld in het AoIP-stappenplan (stappenwaaier) van de brancheorganisaties UNETO-VNI, VEB en VEBON. Dit document wijkt op één punt af van de VRKI. Volgens de VRKI is een enkelvoudig transmissiepad op basis van een internetverbinding in risicoklasse 1, 2 en 3 voor woningen en risicoklasse 1 en 2 voor bedrijven wel toegestaan bij AL1. In het AoIP-stappenplan wordt deze mogelijkheid afgeraden.

Voor de keuze voor een provider kunt u het best aan uw PAC vragen welke providers zij ondersteunen.

Wanneer is persoonlijke alarmverificatie en wanneer is technische alarmverificatie verplicht?

Persoonlijke alarmverificatie wordt geëist bij R0, R1 en R2. Bij persoonlijke alarmverificatie stelt een sleutelhouder of een particuliere beveiligingsorganisatie ter plaatse vast of het alarm wel of niet een daadwerkelijke inbraak betreft. Na vaststelling van een daadwerkelijke inbraak, kan de politie gewaarschuwd worden.

Technische alarmverificatie is verplicht bij R3 (in risicoklasse 4 en 4* voor bedrijven). Bij technische alarmverificatie gebruikt een PAC camera’s en/of microfoons om betrouwbare informatie te verkrijgen. Ook kan aan de hand van de ontvangst van twee of meer alarmen uit een pand, aangevuld met informatie van de contactpersoon, vastgesteld worden of er hoogstwaarschijnlijk sprake is van een daadwerkelijke inbraak. Een PAC kan de politie met deze informatie zo goed mogelijk informeren.

Wanneer is anti-masking vereist?

Anti-masking signaleert of een ruimtelijk werkende detector is afgedekt en daardoor niet meer naar behoren functioneert.

Anti-masking is vereist:

  • bij E2 voor bedrijven (grade 2 of 3)
  • bij E3 voor woningen en bedrijven (grade 3)

Het is niet vereist dat de anti-masking signalering is ingeschakeld als de alarminstallatie is ingeschakeld. Maskering hoeft derhalve niet doorgemeld te worden. De maskering moet wel gesignaleerd worden en een afdekalarm veroorzaken. Een afdekalarm leidt ertoe dat de alarminstallatie niet ingeschakeld kan worden.

Bij Ed, E1 en E2 voor woningen en bij E1 voor bedrijven zijn anti-masking detectoren niet vereist.

Indien anti-masking is vereist, dan moeten alle ruimtelijk werkende detectoren voorzien zijn van anti-masking. Dit geldt dus voor de ruimtelijk werkende detectoren in zowel publiekstoegankelijke als in niet-publiekstoegankelijke ruimten. Dit omdat detectoren ook in niet-publiekstoegankelijke ruimten (onbewust) afgeschermd kunnen worden, bijvoorbeeld door het plaatsen van goederen voor een detector.

Wanneer is openstanddetectie vereist?

Openstanddetectie is vereist:

  • bij E1: op de entreedeur(en) en nooduitgang(en) van het pand;
  • bij E2: op alle voor inbrekers bereikbare gevelopeningen (ramen en deuren), mits niet afgeschermd.

Met ‘entreedeur(en)’ worden alle deuren die worden gebruikt om het pand te betreden of te verlaten, bedoeld (waar de bedieningspanelen zijn aangebracht). Met ‘nooduitgang(en)’ worden de nooduitgangen die door middel van vluchtwegaanduiding als zodanig herkenbaar zijn, bedoeld. Voor overige deuren wordt geadviseerd om deze deuren aan de buitenzijde van blind bouwbeslag te voorzien, om bedieningfouten te voorkomen.

De vuistregel is dat een gevelopening bereikbaar is als het zich binnen 2,40 meter vanaf een werkvlak bevindt. Een werkvlak is bereikbaar door opklimmen tot 3,5 meter. Doorklimmen naar een hoger gelegen werkvlak is mogelijk indien dit binnen 2,40 meter is gelegen.

Als gevelopeningen mechanisch zijn afgeschermd, dan is openstanddetectie bij E2 niet vereist. Voorbeelden van mechanische afscherming zijn:

  • vaste afscherming: traliewerk, barrière stang(en);
  • beweegbare gevelelementen: rolluik(en), rolhekken, schaarhekken.

Bij de toepassing van beweegbare gevelelementen dient de openstanddetectie wel op het rolluik, rolhek of schaarhek te zijn aangebracht.

Waar kan ik de ‘installatievoorschriften voor alarmapparatuur’ en de ‘voorschriften voor beheer en onderhoud voor alarmapparatuur’ vinden?

Voorschriften die aansluiten op de VRKI staan op de website van het Verbond van BeveiligingsOrganisaties, in de bibliotheek onder ‘Risicoklasse-indeling’.

Hieronder vindt u links naar de documenten met de installatievoorschriften en de voorschriften voor beheer en onderhoud voor alarmapparatuur:

  • Installatievoorschriften voor alarmapparatuur, Document 002080, juli 2000, versie
  • Voorschriften voor beheer en onderhoud voor alarmapparatuur, Document 002079, juli 2000, versie 2
Waar kan ik terecht voor overige vragen over de VRKI?

Voor algemene vragen over de VRKI kunt u contact opnemen met de Informatiedesk van het CCV. Deze heeft contact met de Klankbordgroep VRKI en zorgt ervoor dat uw vraag beantwoord wordt.

Als uw vraag aanleiding geeft tot discussie, dan zal de vraag behandeld worden in een bijeenkomst van de Klankbordgroep VRKI. De Klankbordgroep VRKI bestaat sinds 2008 uit deskundigen van de volgende partijen:

De Informatiedesk van het CCV geeft geen individuele installatieadviezen. Hiervoor kunt u contact opnemen met uw certificatie-instelling.