Delen
04 jun 2011

Tweede meting van de monitor nazorg ex-gedetineerden

Resultaten en vergelijking tussen twee metingen in de tijd

Deze tweede monitor nazorg ex-gedetineerden brengt in kaart in welke mate (ex-)gedetineerden in het bezit zijn van de noodzakelijke basisvoorzieningen: identiteitsbewijs, inkomen, huisvesting, schulden en passende zorg. Dit wordt bekeken op het moment dat zij een penitentiaire inrichting binnenkomen, op het moment dat hun detentie erop zit én op het moment dat zij zich zes maanden op vrije voeten bevinden.

Probleemstelling

De volgende onderzoeksvragen komen in de monitor aan de orde:

  • In welke mate hebben gedetineerden een identiteitsbewijs, inkomen, huisvesting, schulden en contact met een zorginstelling direct voor detentie, direct na detentie, en zes maanden na detentie?
  • In welke mate is er sprake van verandering in de problematiek op de verschillende leefgebieden tussen de situatie direct voor, direct na, en zes maanden na detentie?
  • Welke sociaal-demografische kenmerken en kenmerken van de detentie hangen samen met problemen op verschillende leeftijden, en met verandering in de problematiek op de verschillende leeftijden?
  • Wat zijn de verschillen in de resultaten tussen de eerste en tweede meting?

Beschrijving

De tweede meting van de monitor nazorg ex-gedetineerden richt zich op de gedetineerden die in de periode 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009 een penitentiaire inrichting  hebben verlaten en zich daarna in een Nederlandse gemeente vestigden. Alleen de situatie van gedetineerden die langer dan twee weken hebben vastgezeten kan in kaart worden gebracht.

De onderzoeksgroep bestaat uiteindelijk uit 10.838 (ex-)gedetineerden. Dit zijn vooral (92,4 procent) mannen en ruim de helft van de onderzoeksgroep is jonger dan 34 jaar op het moment van vrijlating.

Voor de beschrijving van de situatie van ex-gedetineerden zes maanden na detentie wordt gebruikgemaakt van registraties van een zestal gemeenten,te weten Amsterdam, Assen, Eindhoven, Oss (en omgeving), Purmerend en Spijkenisse. In totaal stroomt ongeveer 11 procent van de ex-gedetineerden uit de onderzoeksgroep uit naar één van deze gemeenten.

Conclusies

Enkele conclusies uit deze tweede monitor nazorg:

  • Voor detentie heeft 84 procent van de gedetineerden op één van de vijf leefgebieden een probleem. Van de gedetineerden heeft 14 procent problemen op drie of meer leefgebieden. Van de gedetineerden die op één leefgebied een probleem heeft, is dat in ongeveer één op de drie keren (30 procent ) een probleem op het leefgebied schulden.
  • Bij ontslag uit detentie heeft bijna de helft van de ex-gedetineerden ten minste één probleem op één van de drie gebieden identiteitsbewijs, huisvesting en inkomen. Direct voor detentie had 39 procent van de gedetineerden op ten minste één van deze drie leefgebieden een probleem. Tijdens detentie is dus bij meer gedetineerden een probleem op de leefgebieden ontstaan.
  • Door de gemeentelijke informatie over de situatie bij ontslag uit detentie te vergelijken met de situatie zes maanden na detentie blijkt dat bijna elke ex-gedetineerde in de eerste zes maanden na detentie zijn identiteitsbewijs, inkomen, huisvesting en/of contact met een zorginstelling behoudt. Aan de andere kant behoudt de ex-gedetineerde ook zijn schulden.
  • De situatie op de leefgebieden voor detentie en bij ontslag uit detentie is in dit onderzoek op dezelfde manier gemeten als in de eerste meting van de monitor nazorg ex-gedetineerden. Daarom kan de situatie op de leefgebieden van de twee groepen goed met elkaar vergeleken worden.

Auteur

G. Weijters en P.A. More

Organisatie

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie