RvS: Terechte weigering exploitatievergunning growshop op grond van art. 3 lid 1 Wet Bibob.
Bij besluit van 28 juli 2006 heeft de burgemeester van Venlo geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de growshop. De conclusie is dat de voorzieningenrechter met juistheid heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunning op grond van artikel 2:35f, vierde lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob, mocht weigeren.
Instantie
Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak
Rolnummer
200702469/1Wetsartikelen
art. 2:35f, vierde lid, APV; art. 3, eerste lid en art. 3, zesde lid, Wet Bibob
Beschrijving
De conclusie is, zo blijkt onder meer uit het besluit op bezwaar, gebaseerd op de omstandigheden dat een voormalige vennoot van de growshop meermalen is veroordeeld voor opiumdelicten, dat de inrichting mede is gefinancierd door gelden afkomstig van deze voormalige vennoot, waarvan aannemelijk is dat ze afkomstig zijn uit de handel in verdovende middelen, dat ook appellant op grond van een aantal gebeurtenissen in verband wordt gebracht met de handel in verdovende middelen, dat appellant staat vermeld in de Bijzondere Registers van de politieregio Limburg-Noord als zogenoemd CIE-subject, dat het ernstige vermoeden bestaat dat in en vanuit de inrichting is gehandeld in verdovende middelen en dat appellant onjuiste gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van de vergunning.
Anders dan appellant betoogt is niet gebleken dat de voorzieningenrechter, ondanks het feit dat appellant hem geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, uit het advies heeft geciteerd en dit als onderbouwing heeft gebruikt voor zijn overwegingen. Appellant stelt, samengevat weergegeven, dat hij de herkomst van het geïnvesteerde geld heeft kunnen verklaren en dat hij nooit is vervolgd en ook nooit betrokken is geweest in een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van de Opiumwet.
De voorzieningenrechter heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat de burgemeester aannemelijk heeft mogen achten dat het door die vennoot in de inrichting geïnvesteerde bedrag afkomstig is uit handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester op grond van het advies mogen constateren dat een ernstig vermoeden bestaat dat appellant betrokken is bij de handel in verdovende middelen.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Vindplaats
Op rechtspraak.nl onder LJN BB6298



