HR: Terechte verschaffing van toegang tot woning voor inbeslagname hennep. Geen sprake van doorzoeking.
Het optreden van opsporingsambtenaren, om zich toegang te verschaffen tot een woning om de daar aanwezige hennepplanten in beslag te nemen, vond plaats conform de bevoegdheden op grond van artikel 9 Opiumwet. Er was in casu geen sprake van doorzoeking.
Instantie
Hoge Raad, Strafkamer
Rolnummer
01992/03Wetsartikelen
Opiumwet art. 9
Wetboek van Strafvordering art. 96c
Wet tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek (Stb 1999, 243)
Beschrijving
Verdachte is in hoger beroep voor hennepteelt veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een geldboete van € 450.
De vraag in cassatie is of er sprake is geweest van doorzoeking van de woning van verdachte zonder een daartoe strekkende bevoegdheid.
"Vooropgesteld moet worden dat bij de Wet van 27 mei 1999, Stb 243 tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek onder meer opnieuw is geregeld de bevoegdheid van gewone opsporingsambtenaren tot inbeslagneming en de daaraan gekoppelde bevoegdheid om daartoe elke plaats te betreden. In de parlementaire geschiedenis van deze Wet wordt onderscheid gemaakt tussen het betreden van de desbetreffende plaats, het aldaar zoekend rondkijken en het inbeslagnemen van voor de hand liggende voorwerpen enerzijds, en het doorzoeken van die plaats anderzijds. Tot dit laatste is in een geval als het onderhavige ingevolge art 96c Sv uitsluitend de officier van justitie of in bepaalde gevallen een hulpofficier van justitie, gemachtigd door de officier van justitie, bevoegd. Aangenomen moet worden dat na de inwerkingtreding van de Wet bedoelde systematiek ook geldt indien het gaat om opsporingsonderzoek met betrekking tot verdovende middelen. Gelet daarop moet art. 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet aldus worden uitgelegd dat de aldaar geregelde bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot de desbetreffende plaats, niet omvat de bevoegdheid om die plaats te doorzoeken ( vgl. HR 18 november 2003, LJN AL 6238)."
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat er in dit geval geen sprake is geweest van een doorzoeking, nu door middel van het forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de in dat pand aanwezige ruimten is verkregen, alwaar vervolgens hennepplanten in beslag zijn genomen die aldaar zijn aangetroffen door zoekend rond te kijken. De bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat de Opiumwet wordt overtreden omvat de bevoegdheid om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen. De bevoegdheid tot inbeslagname van de daarvoor vatbare voorwerpen is gelegen in art. 9, derde lid, Opiumwet (vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AH 9998). De duur van het verblijf in de woning had in casu te maken met de inbeslagneming van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur.
Beroep verworpen.
Vindplaats
- Nederlands Juristenblad 2004, 104
- Nieuwsbrief Strafrecht 2004, 240



