Rb Breda: Betredingsbevoegdheid ingevolge art. 9 Opiumwet omvat geen doorzoekingsactiviteiten.
Betredingsbevoegdheid ingevolge art. 9 Opiumwet omvat geen doorzoekingsactiviteiten.
Instantie
Rechtbank Breda
Rolnummer
02/070195-03Wetsartikelen
Opiumwet art. 9
Wetboek van Strafvordering art. 359a, lid 1, aanhef en onder b
Beschrijving
X. is eigenaar van een coffeeshop. Bij een politiecontrole wordt een grotere handelsvoorraad cannabis aangetroffen dan toegestaan. X. voert aan dat hij meer cannabis in voorraad had omdat de leverancier met vakantie ging.
De politiecontrole vond plaats in het kader van de Opiumwet. Bij het betreden van de woning van X. werd een sterke hennepgeur opgemerkt. Het geding betreft de rechtmatigheid van het daarop openen van de kasten en tassen waarin de cannabis gevonden werd. X. stelt dat dit bewijs onrechtmatig verkregen is, het openbaar ministerie verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 1985 (NJ 1985, 822) en stelt dat de politie rechtmatig heeft gehandeld.
De politierechter: "Uit de processtukken blijkt dat de softdrugs zijn gevonden na opening van een niet afgesloten deur van een kast in de slaapkamer. De weed zat in shopper-tassen die in de kast stonden en de plakken hash werden gevonden op de planken van de kast. Na het vinden van de drugs is contact gezocht met de officier van justitie. De politierechter is van oordeel dat de bevoegdheid om ingevolge artikel 9 Opiumwet de woning te betreden impliceert dat de opsporingsambtenaren toegang hebben tot alle kamers in die woning, desnoods -zoals in casu is gebeurd- door de toegangsdeur naar een (slaap)kamer te forceren. Deze betredingsbevoegdheid omvat mede het zoekend rondkijken naar voor inbeslagneming vatbare zaken. Tot dit zoekend rondkijken behoort naar het oordeel van de politierechter evenwel niet het openen van een kastdeur en het bekijken van de inhoud van tassen die in die kast staan. Dit zijn doorzoekingsactiviteiten. Deze doorzoeking heeft niet door een daartoe bevoegde autoriteit plaatsgevonden. Het bewijs in de vorm van de gevonden softdrugs is daarom onrechtmatig verkregen en dient ingevolge artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv, buiten beschouwing te worden gelaten. Nu de bekennende verklaring van verdachte slechts is verkregen nadat hij met de gevonden softdrugs werd geconfronteerd, kan deze verklaring evenmin aan het bewijs meewerken.
Aldus ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs en zal verdachte van het hem tenlastegelegde worden vrijgesproken"
Volgt vrijspraak.



