HR: Ten onrechte opbrengst verkoop cannabis in coffeeshop buiten beschouwing gelaten bij vordering wederrechtelijke verkregen voordeel.
Bij vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in cannabis ten onrechte de opbrengst van handel in een gedoogde coffeeshop buiten beschouwing gelaten.
Instantie
Hoge Raad, Strafkamer
Rolnummer
00292/02 PWetsartikelen
Wetboek van Strafrecht art. 36e
Beschrijving
X. exploiteert een coffeeshop. Hij wordt strafrechtelijk veroordeeld voor grootschalige handel in cannabis. Tevens wordt een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd (Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 februari 2001). Het Hof heeft bij de berekening van de hoogte van het te vorderen bedrag de inkomsten uit de handel die plaatsvond in de coffeeshop buiten beschouwing gelaten omdat de coffeeshop zich aan de gedoogvoorwaarden heeft gehouden.
De Advocaat-Generaal bij het Hof stelt beroep in cassatie in. De Hoge Raad is van oordeel dat X., door deelname aan grootschalige handel in cannabis, waaronder export, de gedoogvoorwaarden voor coffeeshops wel degelijk heeft overtreden. De inkomsten uit verkoop in de coffeeshop kunnen niet afzonderlijk bekeken worden en moeten in de hoogte van het te vorderen bedrag worden meegenomen.
De bestreden uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch wordt vernietigd. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor een nieuwe uitspraak in hoger beroep.
Vindplaats
- Nederlandse Jurisprudentie 2003, 508
- Nederlands Juristenblad 2003, 56



