Delen
23 jul 2002

Hof Leeuwarden: OM ontvankelijk bij vervolging cannabisverkoop vanuit horeca-inrichting. 

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van cannabisverkoop via een afhaalcentrum.

Instantie

Hof Leeuwarden, Strafkamer

Rolnummer

24-000426-00

Wetsartikelen

Opiumwet art. 3

Richtlijnen opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet (Stcrt. 1996, nr. 187)

Wetboek van Strafvordering art. 167

Beschrijving

Verdachte voert aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu het openbaar ministerie gebonden is aan de in het driehoeksoverleg van de gemeente Groningen vastgestelde gedoogbeleid.

Het Hof stelt dat het in artikel 167 Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel meebrengt dat de beslissing tot vervolgen door de officier van justitie in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter staat. Tenzij de beslissing tot vervolging in strijd is met wet, verdrag of beginselen van een goede procesorde. Naar het oordeel van het Hof doet een dergelijke uitzondering zich hier niet voor.

De beleidsregels van de gemeente Groningen inzake de verkoop van softdrugs in horecabedrijven zijn opgesteld met inachtneming van de toepasselijke richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet. Die beleidsregels houden onder meer in dat wanneer buiten horecabedrijven via zogenaamde afhaalcentra softdrugs worden verkocht, strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden. X. BV staat niet op de lijst van gedoogde verkooppunten en mocht er dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij gevrijwaard zou blijven van strafvervolging. Bovendien had het openbaar ministerie X. in een eerdere strafzaak te kennen gegeven dat voor een overtreding van de Opiumwet geen lage opsporingsprioriteit zou gelden. Dat X. tevens een bestuursrechtelijke procedure voert waarin X. betwist dat het verkooppunt de status van afhaalcentrum heeft, doet aan deze strafzaak niet af (uitspraak Raad van State op 24 april 2002). Het openbaar ministerie bepaalt zelfstandig of strafvervolging opportuun is. Uit de richtlijn kan niet worden afgeleid dat strafrechtelijke handhaving complementair is aan bestuursrechtelijke handhaving. Integendeel, stelt het Hof, het strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke instrumentarium bestaan naast elkaar. Van een hiërarchische rangorde is geen sprake. Het verkooppunt van X. wordt niet gedoogd, er kan dus strafrechtelijk worden opgetreden. Het verweer van de verdachte wordt verworpen.

Vindplaats

  • Nederlandse Jurisprudentie 2002, 451