Delen
25 mrt 2005

Rb Breda: Terechte vordering tot ontbinding huurovereenkomst wegens bedrijfsmatige hennepteelt.

Een woonstichting vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde woning, nadat er bij een inval in het pand een bedrijfsmatige hennepplantage werd aangetroffen.

Rolnummer

04/6892

Beschrijving

De Woonstichting Aramis vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde woning, nadat er bij een inval in het pand door het drugsoverlastteam Courage van de politie Midden en West Brabant een bedrijfsmatige hennepplantage werd aangetroffen. Tal van kweekapparatuur werd in beslag genomen. Tevens werd illegaal stroom getapt.

De woonstichting hanteert een beleid dat bij aantreffen van een hennepkwekerij in het gehuurde "[…] de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde geïndiceerd is […]". De huurder schiet in dat geval namelijk ernstig tekort in de nakoming van hun huurverplichtingen.

De huurders betwisten dat zij ernstig tekort zijn geschoten in de nakoming van hun huurverplichtingen en betwisten tevens dat het pand niet volgens de bestemming als woning werd gebruikt. Voorts geven zij aan dat de illegale stroomtap niet heeft gezorgd voor brandgevaar en dat er geen gevaar voor waterschade is ontstaan.

Wat betreft de woonbestemming verklaren de huurders dat de hennep in de kleinste slaapkamer van het pand stond en dat de rest als woning werd gebruikt. Voorts geven de huurders aan dat de ontbinding van de huurovereenkomst verregaande gevolgen voor ze heeft, in die zin dat de woonstichting vrijwel alle (sociale) woningbouw in de omgeving van Roosendaal onder zich heeft en de huurders waarschijnlijk geen vergelijkbare huurruimte zullen kunnen krijgen.

Op basis van artikel 7:231 BW geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om voor de rechter de ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen, tenzij de tekortkoming van een bijzondere aard is of van geringe betekenis en de ontbinding niet rechtvaardigt.
Van zo'n bijzondere omstandigheid is hier volgens de kantonrechter geen sprake. Het gerechtvaardige belang van de ontbinding van de huurovereenkomst ligt volgens de kantonrechter in het voorkomen van brandgevaar, het voorkomen van schade aan het gehuurde en het voorkomen van overlast voor de omwonenden en een negatieve uitstraling op de directe woonomgeving. De gedaagden wisten of hadden moeten weten dat zij in strijd handelden met de Opiumwet, het huurrecht en de huurovereenkomst. Zij hadden stil moeten staan bij de gevolgen hiervan.

De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst en veroordeeld de huurders tot ontruiming van de gehuurde woning.

Vindplaats