Delen
24 feb 2003

Rb Groningen: Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen besluit in de zin van de Awb

In een horeca-inrichting zijn bij politiecontroles softdrugs aangetroffen. De burgemeester kondigt aan bestuursdwang toe te passen en over te gaan tot een onmiddellijke sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd bij een volgende overtreding.

Instantie

Rechtbank Groningen

Rolnummer

AWB 03/90 GEMWT VEN

Beschrijving

De burgemeester had op 2 december 2002 een brief geschreven aan X, de exploitant van een horeca-inrichting, waarin hij aangaf dat er bij controles door de politie op grond van de Opiumwet gebleken was dat er softdrugs aanwezig waren in de inrichting. Er waren al eerder softdrugs in de inrichting aangetroffen en X was op 8 oktober 2002 conform het stappenplan handhaving coffeeshopbeleid, dat in augustus 2002 bekend was gemaakt, schriftelijk gewaarschuwd. Omdat er sprake was van een nieuwe overtreding van de Opiumwet besloot de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang. Als toelichting hierop schreef de burgemeester dat dit betekent dat hij bij de eerstvolgende overtreding van artikel 3 van de Opiumwet de onmiddellijke sluiting van de inrichting van X voor een periode van drie maanden beveelt. Tegen dit besluit heeft X bezwaar ingediend en een voorlopige voorziening verzocht.

De Voorzieningenrechter overweegt dat onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21, van de Awb, wordt verstaan het feitelijk handelen van de overheid tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter is in casu geen sprake van een optreden als bedoeld in artikel 5:21 Awb. Er is ook geen sprake van een definitieve aanzegging bestuursdwang. Pas wanneer er sprake is van een schrijven van de burgemeester waarin hij aankondigt dat daadwerkelijk bestuursdwang zal worden toegepast, zal in casu sprake zijn van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, van de Awb. De brief van de burgemeester is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb en er staat dus geen bezwaar en beroep tegen open.

Derhalve verklaart de Voorzieningenrechter zich onbevoegd het verzoek om voorlopige voorziening in behandeling te nemen.

Noot

Deze uitspraak is bij eerste lezing onbegrijpelijk. Wat is het verschil tussen hetgeen de burgemeester hier heeft ‘besloten’ en hetgeen de rechter in de uitspraak formuleert dat de burgemeester zou moeten ‘besluiten’, zodat er wel sprake is van een Awb-besluit?

Het zit hem in de toelichting van de beslissing van de burgemeester. Daarin geeft de burgemeester aan dat er een ‘bevel’ tot onmiddellijke sluiting van het pand voor drie maanden zal worden gegeven, indien er opnieuw een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. Hij geeft dus aan dat er nog een bevel zal volgen, en dus dat er nog een besluit in de zin van de Awb zal worden genomen. Hiermee wordt de brief dus een vooraankondiging van een beslissing tot de uitoefening van bestuursdwang, hetgeen geen appellabel besluit is.

De rechter geeft in de uitspraak aan hoe het wel moet worden omschreven. Er moet aangekondigd worden dat er bestuursdwang, dus feitelijk handelen, zal worden toegepast bij de volgende overtreding. Er mag niet worden geschreven dat er een bevel zal volgen.

De gemeente heeft dit uiteraard bedoeld, ze schrijft het zelfs in de brief, maar door een subtiel verschil in de formulering in de toelichting is er tóch geen sprake van een besluit dat de burgemeester had bedoeld te nemen. Nu kan dit gelukkig vrij snel hersteld worden, maar duidelijk is weer dat de bestuursrechter, ook de voorzieningenrechter, precisie verlangt. (TR)

Vindplaats

Jurisprudentie voor gemeenten 2003, JG 03.0064.