Delen
23 nov 2001

Rb Leeuwarden: Onterechte tijdelijke sluiting coffeeshop wegens overtreding handelshoeveelheid. Ontbreken van coffeeshopbeleid ligt ten grondslag.

Wet Damocles vereist niet dat verkoop van softdrugs aannemelijk wordt gemaakt, maar enkel dat hoeveelheid drugs wordt aangetroffen waarvan met recht kan worden gezegd dat het een handelsvoorraad betreft. Tijdelijke sluiting van koffiehuis is onvoldoende gemotiveerd, nu er geen op schrift gesteld beleid is dat aan sluiting ten grondslag ligt.

Instantie

Rechtbank Leeuwarden, president sector bestuursrecht

Rolnummer

01/1010 HOREC

Wetsartikelen

Opiumwet art. 13b, lid 1

Drank- en Horecaverordening Franekeradeel

Beschrijving

Naar aanleiding van eerdere controles op grond van de Opiumwet had de burgemeester X. in kennis gesteld van zijn voornemen tot sluiting van het door haar geëxploiteerde koffiehuis Y voor een periode van zes maanden. Hiertoe was aangevoerd dat in het koffiehuis driemaal een handelsvoorraad softdrugs was aangetroffen en dat de gemeente geen gedoogbeleid aangaande de verkoop of de aanwezigheid van softdrugs in voor publiek toegankelijke gelegenheden voert. Vervolgens was de burgemeester bij het bestreden besluit overgegaan tot tijdelijke sluiting van het koffiehuis op grond van art. 13b, lid 1, Opiumwet en tot intrekking van het verlof van X. tot het verstrekken van alcoholvrije drank op grond van de Drank- en Horecaverordening Franekeradeel.

De President is van oordeel dat de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van art. 13b Opiumwet op te treden voldoende vaststaat. Op grond van de door de politie opgemaakte processen-verbaal is voldoende aannemelijk dat tijdens de controles in het koffiehuis hoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen die als handelsvoorraad kunnen worden aangemerkt. De aangetroffen hoeveelheden overstijgen ruim hetgeen redelijkerwijs nog als gebruikershoeveelheid kan worden beschouwd. Bovendien bleken deze hoeveelheden verpakt te zijn in kleine zakjes in een klaarhangende tas, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat deze drugs bestemd waren voor de verkoop. Er moet worden voorbijgegaan aan het argument van X. dat niet bewezen is dat ook door haar of onder haar verantwoordelijkheid softdrugs worden verhandeld. Art. 13b Opiumwet vereist immers niet dat een dergelijk causaal verband aannemelijk wordt gemaakt, maar enkel dat er een hoeveelheid drugs wordt aangetroffen waarvan met recht kan worden gezegd dat het een handelsvoorraad betreft.

De op grond van art. 13b voornoemd aan de burgemeester toegekende bestuursdwangbevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat gebruikmaking daarvan moet geschieden aan de hand van een beleid waarbij de burgemeester invulling geeft aan die bevoegdheid. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State blijkt dat een nul-optiebeleid aanvaardbaar is, mits tenminste wordt gemotiveerd waarom dit beleid in de gegeven plaatselijke omstandigheden redelijk en wenselijk is (zie de uitspraken van 22 mei 1997, ARB 1997, 299, en 15 januari 2001, ARB 2001, 155). Namens de burgemeester is aangegeven dat er geen op schrift gesteld beleid is. Hij acht het algemene in de Opiumwet opgenomen verbod om te handelen in softdrugs voldoende om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting over te gaan. Ook beschikt hij niet over beleidsregels op grond waarvan de duur van de sluiting wordt bepaald, mede in relatie tot de ernst van de overtreding. Uit de bij het openbaar ministerie en de gemeente Leeuwarden ingewonnen informatie is naar voren gekomen dat een sluiting van zes maanden in een geval als het onderhavige gebruikelijk is. Dit is echter onvoldoende, nu niet is gebleken dat de burgemeester het beleid van andere instanties heeft overgenomen, en hij ook geen inzicht heeft kunnen geven in de motivering waarom in casu de getroffen maatregel als proportioneel kan worden aangemerkt.

Schorsing van het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de President op dat verzoek heeft beslist.

Links