Rb Maastricht: Terechte tijdelijke sluiting van café wegens drugshandel. Het portiek behoort tot het erf.
Portiek voor het café wordt beschouwd als een ‘daarbij behorend erf’ in de zin van artikel 13b Opiumwet. Ontbreken van een (nieuwe) waarschuwing vooraf is i.c. niet onrechtmatig. Termijn van sluiting van één jaar is niet disproportioneel of onredelijk.
Instantie
Rechtbank Maastricht, president sector bestuursrecht
Rolnummer
00/764 HOREC VV DALWetsartikelen
Opiumwet art. 13b
APV Heerlen art. 2.3.1.4, art. 3.2.6.1
Beschrijving
Bij de verlening van de drank- en horecavergunning aan Café Internet CV was in het begeleidend schrijven te verstaan gegeven dat er een absoluut verbod gold op de verkoop van softdrugs. Uit processen-verbaal en informatie van de Regionale Criminele Inlichtingen Dienst (CID) was gebleken dat er in het café een levendige handel in en gebruik van verdovende middelen plaatsvond, en dat de eigenaar van het café in grote mate betrokken was bij deze activiteiten. De burgemeester had daarop op grond van art. 13b Opiumwet subsidiair op grond van de APV op 31 mei 2000 met onmiddellijke ingang de sluiting bevolen van de horeca-inrichting, Café Internet, voor een periode van 12 maanden. Café Internet diende een bezwaarschrift in en verzocht tevens om voorlopige voorziening.
Het staat volgens de President op grond van de processen-verbaal afdoende vast dat zowel door de eigenaar/beheerder als door anderen in de inrichting softdrugs zijn verkocht. Het portiek voor het café dient te worden aangemerkt als een ‘daarbij behorend erf’ als bedoeld in artikel 13b Opiumwet, zodat ook de handelingen die blijkens de processen-verbaal daar hebben plaatsgevonden, vallen onder de reikwijdte van de Opiumwet.
Het ontbreken van een (nieuwe) waarschuwing vooraf, waarbij aan Café Internet de gelegenheid zou zijn geboden om eerst zelf maatregelen te treffen, om te trachten de (gedwongen) sluiting af te wenden, acht de President in casu niet onrechtmatig. Hij betrekt hierbij de algemene waarschuwing bij de vergunningverlening in 1998, alsmede de situatie ter plaatse. De burgemeester mocht menen dat van een nadere, op de concrete situatie betrekking hebbende waarschuwing weinig heil te verwachten viel en dat dit bezien in het licht van die concrete situatie ter plaatse en in de naaste omgeving bovendien een gepasseerd station was.
Ook de termijn van één jaar acht de President niet disproportioneel of onredelijk. De duur van deze termijn is door de burgemeester gemotiveerd met de grote naamsbekendheid die de inrichting geniet bij dealers en junkies. Om de naamsbekendheid teniet te doen en de loop eruit te krijgen is een termijn van een jaar nodig. De President kan deze redenering billijken.
Ten overvloede overweegt de President nog dat de sluiting eveneens stand kan houden op grond van artikel 2.3.1.4 APV, welk artikel de burgemeester de bevoegdheid geeft om in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid tijdelijk algehele sluiting van een inrichting te bevelen.
Het café is - daargelaten de wijze van exploitatie en de vraag of er voldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat er ook in de inrichting al dan niet met toestemming of medeweten van de eigenaar/beheerder hard drugs worden verhandeld, verstrekt of gebruikt - een ontmoetingspunt, verzamelplaats en/of uitvalsbasis voor dealers en gebruikers. Het tegengaan van deze situatie door sluiting van de inrichting en het daardoor ontnemen van die naamsbekendheid, kan worden aangemerkt als een redelijk middel in het belang van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid.
Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Noot
Deze uitspraak bevat een aantal elementen die inmiddels tot vaste jurisprudentie mogen worden gerekend en juist daarom is het goed om deze nog eens onder de aandacht te brengen.
Op de eerste plaats de verantwoordelijkheid voor de uitbater van een horecagelegenheid voor wat er in en om zijn zaak gebeurt. Ook de drugshandel door bezoekers kan de exploitant worden aangerekend.
Op de tweede plaats de noodzaak van een voorafgaande waarschuwing. De Awb schrijft niet voor dat vooraf moet worden gewaarschuwd. Het is echter een vorm van behoorlijk bestuur om dit wel te doen. Dat betekent echter niet dat het in alle gevallen zou moeten. Dat hangt onder meer af van de ernst van de geconstateerde overtredingen. In verschillende handhavingsarrangementen is dan ook bepaald dat bij handel in harddrugs een waarschuwing achterwege blijft.
Op de derde plaats de sluitingstermijn. Een jaar is - zeker met deze voorgeschiedenis en het feit dat ook in harddrugs is gehandeld - niet ongebruikelijk. Nieuw - en in mijn beleving voor de hand liggend - is de overweging dat het portiek dient te worden aangemerkt als ‘daarbij behorend erf’ in de zin van artikel 13b Opiumwet. Tot slot nog een opmerking over de subsidiaire grondslag van de sluiting. De reden of noodzaak voor deze extra grondslag zie ik niet. Waarschijnlijk is het voor de burgemeester moeilijk afscheid nemen van de oude vertrouwde sluitingsgrond in de APV. Wat opvalt is dat de President een subsidiaire grondslag gewoon accepteert. In mijn noot onder Jurisprudentie voor Gemeenten 00.0007 gaf ik - met verwijzing naar Hennekens - aan dat het in strijd lijkt met het rechtszekerheidsbeginsel om een besluit te baseren op een primaire en subsidiaire grondslagen. (WH)
Vindplaats
- Jurisprudentie voor Gemeenten, 11 (2000) 204 met noot van W.A.G. Hillenaar.



