Delen
27 feb 2009

Rb Maastricht: Terechte sluiting growshop, eerst schriftelijk waarschuwen i.c. niet nodig

De burgemeester van Kerkrade besluit tot onmiddelijke sluiting van een growshop voor de duur van 6 maanden naar aanleiding van een aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs. Het betreft een eerste overtreding. De gemeente hanteert een handhavingsmatrix waarin onder meer is bepaald dat na een overtreding de eerste keer een schriftelijke waarschuwing en de tweede keer tijdelijke sluiting voor de duur van zes maanden volgt. Onder de matrix is vermeld dat in ernstige of spoedeisende gevallen van de inhoud daarvan kan worden afgeweken. Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder in plaats van onmiddellijke sluiting een schriftelijke waarschuwing had moeten geven.

Instantie

Rechtbank Maastricht

Rolnummer

AWB 08/1000

Wetsartikelen

13b Opiumwet

Beschrijving

De rechtbank bespreekt eerst de vraag of het handhavingsbeleid van verweerder de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat verweerder bij de toepassing van zijn bevoegdheid tot bestuursdwang ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beleidsvrijheid toekomt. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder er niet voor gekozen om vooraf in de handhavingsmatrix alle te verwachten of mogelijke situaties vast te leggen, omdat niet alles altijd is te voorzien. Bovendien heeft verweerder de mogelijkheid willen openhouden om in ernstige en spoedeisende gevallen een verdergaande sanctie op te leggen dan waarin de matrix voorziet. Daarbij valt te denken aan de verkoop van harddrugs, het voorhanden hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen of gevaarzetting, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van wapens. De rechtbank acht deze invulling van de toekomende beleidsvrijheid niet kennelijk onredelijk. Dit betekent dat verweerder heeft mogen bepalen dat in ernstige of spoedeisende gevallen van de inhoud van de handhavingsmatrix kan worden afgeweken, waaronder begrepen dat bij de eerste overtreding als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet tot sluiting voor de duur van zes maanden wordt overgegaan in plaats van een schriftelijke waarschuwing te geven. Hieruit volgt dat het rechtszekerheidsbeginsel niet zo ver strekt dat verweerder precies had moeten vastleggen wanneer een overtreding tot sluiting dan wel tot een waarschuwing leidt.

Vervolgens bespreekt de rechtbank de vraag of verweerder in het onderhavige geval het handhavingsbeleid juist heeft toegepast. De rechtbank stelt vast dat in de kelder van het pand circa acht kilogram softdrugs is aangetroffen, bestaande uit hasjiesj en hennep, zijnde middelen als bedoeld in lijst II behorende bij de Opiumwet. Gelet op de hoeveelheid, die de gebruikershoeveelheid van vijf gram ruimschoots overtreft, gaat hier om een handelshoeveelheid; zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2005 (LJN: AU 8447). Daarnaast heeft verweerder eiser bij brief van 31 januari 2006 een algemene schriftelijke waarschuwing gegeven dat de exploitatie van de growshop zal worden gedoogd op voorwaarde dat geen overtreding van de Opiumwet zal plaatsvinden. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hier om een ernstig geval gaat waarin, ondanks het feit dat het ging om een eerste overtreding, moest worden overgegaan tot sluiting in plaats van een waarschuwing. Niet geoordeeld kan worden dat het financiële belang van eiser bij de exploitatie van de growshop had dienen te prevaleren boven het algemeen belang bij herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving van de growshop.

De burgemeester is dus terecht overgegaan tot onmiddellijke sluiting en was niet gehouden eerst een schriftelijke waarschuwing te geven.

Vindplaats

Op www.rechtspraak.nl onder LJN: BH4242