RvS: Terechte weigering tot gedogen coffeeshop.
Afhaalloket voor softdrugs is geen horecabedrijf in de zin van artikel 45 APV, ook al beschikt exploitante van inrichting over horecavergunning. Burgemeester heeft derhalve terecht op grond van nieuw aangescherpt beleid geweigerd om coffeeshop, waartoe afhaalloket behoort, op gedooglijst voor verkoop van softdrugs te plaatsen.
Instantie
Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak
Rolnummer
200102121/1Wetsartikelen
APV Groningen 1994 art. 45
Drank- en Horecaverordening Groningen art. 8.2 (oud)
Beschrijving
De burgemeester had bij het bestreden besluit zijn weigering gehandhaafd om de door X. BV geëxploiteerde coffeeshop op de gedooglijst voor de verkoop van softdrugs te plaatsen. Hij was van mening dat deze in twee panden gevestigde inrichting vóór 1 januari 1995 (datum van ingang van het aangescherpte gedoogbeleid t.a.v. coffeeshops) niet kon worden aangemerkt als een horecabedrijf in de zin van art. 45 APV Groningen 1994. De Rechtbank Groningen had bij uitspraak van 15 oktober 1999 het bestreden besluit vernieitigd en X. BV alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaarschrift. Bij uitspraak van 31 juli 2000, nr. 199902942/1, had de Afdeling de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank. Vervolgens had de Rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep na hernieuwde behandeling ongegrond verklaard.
De Afdeling stelt vast dat de begane grond van de twee desbetreffende panden aanvankelijk als één ruimte in gebruik was. In het ene gedeelte was een café gevestigd en het andere gedeelte werd als keuken gebruikt. In 1990 is de begane grond blijkens de bij de bouwvergunning behorende tekening verbouwd, waarbij een zelfstandige ruimte is ontstaan met een eigen ingang t.b.v. een afhaalcentrum (voor softdrugs). Bij de verbouwing in 1994 is deze ruimte verkleind. De softdrugs werden verkocht aan een uit veiligheidsoverwegingen van glas voorziene balie. Naast softdrugs waren in deze ruimte ook o.a. broodjes en blikjes frisdranken te verkrijgen en was een koffieautomaat aanwezig. Er was geen bedienend personeel. Verder bevonden zich in de inrichting geen tafels en stoelen, maar slechts vijf krukken waarop de bezoekers konden gaan zitten. Gelet op deze feitelijke omstandigheden, heeft de Rechtbank terecht het standpunt van de burgemeester overgenomen dat het afhaalloket voor softdrugs geen horecabedrijf was in de zin van art. 45 APV.
Ten aanzien van de voor het café in 1987 verleende vergunning voor het verstrekken van alcoholvrije dranken merkt de Afdeling op dat deze vergunning, die geacht wordt te zijn verstrekt op grond van art. 8.2 van de destijds geldende Drank- en Horecaverordening, niet door voormelde verbouwingen van rechtswege is komen te vervallen. Wel kon de vergunning onder bepaalde voorwaarden worden ingetrokken. Nu van een intrekking niet is gebleken, moet - anders dan de burgemeester en de Rechtbank hebben gedaan - worden geoordeeld dat X. BV op 1 januari 1995 nog steeds over deze vergunning beschikte. Dit betekent echter niet dat op grond hiervan het afhaalloket als een horeca-inrichting zou moeten worden aangemerkt. Immers, de inrichting was zodanig gewijzigd dat sprake was van twee op zichzelf staande inrichtingen met gescheiden ingangen. Het beroep van X. BV op een overgangssituatie, waaraan zij in dit kader rechten kan ontlenen, moet dan ook worden verworpen. De burgemeester heeft in dit geval het nieuwe aangescherpte beleid op juiste wijze toegepast.
Er is evenmin gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester van dit beleid had moeten afwijken. De omstandigheid dat X. BV de sinds jaar en dag gedoogde verkoop van softdrugs heeft moeten staken, daar waar anderen die verkoop mochten voortzetten, en dat zij de door haar gedane investeringen in rook ziet opgaan met alle financiële en sociale gevolgen van dien voor haar en haar personeel, is het rechtstreekse gevolg van het sinds 1 januari 1995 ingezette verscherpte beleid (om in beginsel geen nieuwe coffeeshops meer te gedogen) en geen bijzondere omstandigheid. Aan de omstandigheid dat niet eerder daadwerkelijk zou zijn opgetreden tegen haar verkoopactiviteiten, kan – nog daargelaten of van een gedogen al sprake was – geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat haar inrichting onder het nieuwe beleid als horeca-inrichting was of zou worden aangmerkt. De burgemeester heeft derhalve in redelijkheid tot de onderhavige weigering kunnen komen.
Bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Vindplaats
- via www.rechtspraak.nl zoeken op LJ-Nummer AE1854



