RvS: Schrappen coffeeshop van gedooglijst onder intrekking exploitatievergunning is punitieve maatregel.
Schrappen van coffeeshop van gedooglijst van inrichtingen voor verkoop van softdrugs, onder gelijktijdige intrekking van exploitatievergunning, is punitieve maatregel. In casu heeft burgemeester terecht deze maatregel opgelegd wegens overschrijding van toegestane hoeveelheid softdrugs.
Instantie
Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak
Rolnummer
199902931/1Wetsartikelen
APV Amsterdam art. 3.2.8.aanhef, art. 3.2.8.b
EVRM art. 6
Beschrijving
De burgemeester had bij het bestreden besluit zijn besluit gehandhaafd, waarbij de coffeeshop van X. was geschrapt van de lijst van inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd, onder gelijktijdige intrekking van de exploitatievergunning voor een week. De burgemeester had deze maatregel genomen, omdat X. de in zijn inrichting toegestane hoeveelheid softdrugs in strijd met de zgn. AHOJ-G criteria (gedoogrichtlijnen) had overschreden. De Rechtbank Amsterdam had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Afdeling is met X. van oordeel dat de opgelegde maatregel een punitief karakter heeft. De maatregel is immers niet uitsluitend gericht op de handhaving van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, maar tevens op het bewerkstelligen van normconform gedrag door toevoeging van geïndividualiseerd concreet nadeel.
De Afdeling verwerpt het betoog van X. dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om een contra-expertise te doen uitvoeren, bijv. naar de netto hoeveelheid werkzame stof in de aangetroffen softdrugs, teneinde daarmee zijn onschuld te bewijzen. X. heeft nl. overschrijding van de toegestane hoeveelheid softdrugs erkend.
Voorts gaat het bij deze toegestane hoeveelheid niet om de netto hoeveelheid werkzame stof. Een contra-expertise naar de werkzame stof zou dus voor de beoordeling niet van betekenis kunnen zijn. De burgemeester heeft in casu de onderhavige maatregel terecht opgelegd.
Bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Vindplaats
- Jurisprudentie Bestuursrecht, 7 (2000) 328



