RvS: Terechte intrekking exploitatievergunning horeca-inrichting wegens overtreding 13b Opiumwet
Door de politie is een inval gedaan in de inrichting. Uit de terzake opgemaakte processen-verbaal blijkt - en niet in geschil is - dat onder meer zes personen zijn aangehouden die soft- en harddrugs in hun bezit hadden.
Instantie
Raad van State
Rolnummer
200404807/1 en 2004040807/2
Wetsartikelen
Artikel 13b Opiumwet, artikel 10 Horecaverordening gemeente Utrecht
Beschrijving
Gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs en de overige in de aangevallen uitspraak weergegeven omstandigheden van dit geval, heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in de inrichting aanwezig was ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De burgemeester was dan ook bevoegd op grond van die bepaling tot sluiting van de inrichting over te gaan. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 4 februari 2000 in zaakno. 199900085/1, Gemeentestem 2000, 7120, no. 3, heeft overwogen bergt de aanwezigheid van harddrugs in een voor publiek openstaande ruimte op zichzelf reeds het risico van negatieve effecten op de openbare orde in zich. De burgemeester was op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Horecaverordening Utrecht 1993 derhalve ook bevoegd en gehouden om de op 11 februari 2000 aan appellant verleende exploitatievergunning in te trekken.
De persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant speelt geen rol bij de besluitvorming tot sluiting van een inrichting. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de maatregel tot sluiting van de inrichting niet gericht is op de persoon van de exploitant, maar dat het een reparatoire maatregel betreft, bedoeld om de negatieve effecten van de handel in en het gebruik van soft- en harddrugs op het openbare leven te beheersen.
Vindplaats
Op www.rechtspraak.nl onder LJN: AQ9913



