RvS: Terechte weigering exploitatievergunning op basis van ongunstige ervaringen met pand in verleden.
Bij weigering van horeca-exploitatievergunning mogen ongunstige ervaringen (waaronder cannabisverkoop) uit het verleden van het betreffende pand worden meegewogen.
Instantie
Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak
Rolnummer
200304388/1 en 200304388/2Wetsartikelen
APV Heerlen art. 3.2.1.3, art. 3.2.2.3 aanhef en onder a, g en h
Beschrijving
Bij besluit van 25 november 2002 weigert de burgemeester een horeca-exploitatievergunning te verlenen aan X. Bij uitspraak van 16 juni 2003 verklaart de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht het beroep gegrond. Hierop gaat de burgemeester in hoger beroep en vraag om een voorlopige voorziening.
De Afdeling doet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Ten aanzien van de weigeringsgronden heeft de burgemeester het volgende in aanmerking genomen. In het betreffende pand was voorheen "Juice-bar the Cash" gevestigd. Deze inrichting werd door de levenspartner van X. geëxploiteerd. Als gevolg van overlast, veroorzaakt door rondhangende jongeren, zowel in als rondom "Juice-bar the Cash", en de verkoop van cannabis vanuit de inrichting, is de inrichting tweemaal gesloten. De aan de partner verleende exploitatievergunning werd vervolgens ingetrokken. De burgemeester acht aannemelijk dat verlening van de vergunning aan X. tot een herhaling van de overlast zal leiden, omdat de opzet en invulling van de exploitatie van de door haar te drijven "'Juice-bar" niet wezenlijk verschilt van die van de voorheen daarin gedreven "Juice-bar the Cash". De voorzieningenrechter heeft overwogen dat bij de toepassing van de in de APV vermelde weigeringsgrond (art. 3.2.2.3 onder a APV Heerlen) het verleden van de horeca-inrichting en het verleden van het pand, waarin die inrichting wordt gevestigd, geen rol kunnen spelen. Voorts is overwogen dat uit het besluit niet blijkt dat de burgemeester voldoende acht heeft geslagen op de verhouding tussen de aard van de door X. in het pand te exploiteren inrichting en de naaste omgeving van dat pand.
De Voorzitter meent evenals de burgemeester dat de voorzieningenrechter geen juiste uitleg heeft gegeven aan het betreffende APV-artikel. Bij de beantwoording van de vraag of de aanwezigheid van een horecabedrijf de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt, komt de burgemeester een ruime beoordelingsmarge toe, welke door de rechter dient te worden gerespecteerd. In de redactie van de bepaling onder a is, zomin als in de toelichting op het voorstel dat tot vaststelling van de bepaling heeft geleid, grond te vinden voor het oordeel dat de burgemeester bij de beoordeling van voormelde vraag met de ongunstige ervaringen, die in het verleden met de op deze locatie voorheen gevestigde horeca-inrichting zijn opgedaan, geen rekening mag houden.
De burgemeester heeft voorts voldoende gemotiveerd, dat en op grond van welke feiten en omstandigheden door hem wordt aangenomen dat de aanwezigheid van de door X. te exploiteren horeca-inrichting het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze zal beïnvloeden. Daarbij heeft de burgemeester de aard van de exploitatie, die - naar onbestreden is - niet wezenlijk verschilt van die van de partner van X., bezien in relatie tot de omgeving door te verwijzen naar uit politierapporten blijkende feiten en omstandigheden die zich met betrekking tot "Juice-bar The Cash" hebben voorgedaan en tot intrekking van de exploitatievergunning hebben geleid.
Hoger beroep gegrond.
Vindplaats
- via www.rechtspraak.nl zoeken op LJ-Nummer AI0778



