Delen
27 sep 1999

RvS: Terechte weigering exploitatievergunning coffeeshop wegens gebruik gedeelte van coffeeshop als woning. 

APV bevat geen specifiek vergunningstelsel op grond waarvan vergunning kan worden verleend voor exploitatie van een alcoholvrij horecabedrijf, waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden. APV niet in strijd met Opiumwet en bepalingen t.a.v. de exploitatie van een horecabedrijf zijn verbindend. Vestigingseis dat verkooppunten in woningen niet zullen worden toegestaan is nadere uitwerking van art. 2.3.1.2, derde lid, van de APV. Geen ruimtelijke en fysieke scheiding tussen woning en coffeeshop.

Instantie

Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak

Rolnummer

H01.98.1853

Wetsartikelen

Gemeentewet art. 125
APV Deventer art. 2.3.1.2
Awb art. 5:32

Beschrijving

Bij besluit van 31 maart had de burgemeester van Deventer geweigerd X. een vergunning te verlenen voor de exploitatie van een koffieshop en hem gelast de exploitatie uiterlijk per 1 mei 1998 te staken onder oplegging van een dwangsom. Nadat de burgemeester het bezwaar ongegrond had verklaard, verklaarde de President van de Rechtbank Zwolle het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond.

Het hoger beroep richtte zich uitsluitend tegen het oordeel van de President dat de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning heeft kunnen weigeren vanwege de omstandigheid dat het pand tevens wordt gebruikt als woning.

De Afdeling stelt eerst vast dat de APV geen specifiek vergunningstelsel bevat op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een alcoholvrij horecabedrijf, waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden. De President heeft derhalve terecht overwogen dat de APV niet in strijd is met de Opiumwet en dat de bepalingen ten aanzien van de exploitatie van een horecabedrijf verbindend zijn te achten.

Vervolgens oordeelt de Afdeling dat in de nota ‘Coffeeshopbeleid’ van de gemeente Deventer als vestigingseis is opgenomen dat verkooppunten in woningen niet zullen worden gedoogd. Er kan geen sprake zijn van een combinatie van coffeeshop en woning. Een coffeeshop moet ruimtelijk en fysiek volkomen afgescheiden zijn van andere delen van het pand, waar bijvoorbeeld gewoond wordt; de lokaliteiten die als coffeeshop worden gebruikt en de lokaliteiten die als woning worden gebruikt, moeten gescheiden deuren hebben. De President heeft terecht overwogen dat de in de nota opgenomen vestigingseis, die te beschouwen is als een nadere uitwerking van de in artikel 2.3.1.2, derde lid, neergelegde weigeringsgrond, niet kennelijk onredelijk is te achten.

Met de President moet voorts worden geoordeeld dat van een ruimtelijke en fysieke scheiding tussen de woning en de coffeeshop geen sprake was. De President heeft dan ook terecht geoordeeld dat de weigering van de exploitatievergunning op juiste gronden geschiedde.

Hoger beroep ongegrond.

Noot

Uitspraak van de Raad van State op het verzoek van X. om herziening van bovenstaande uitspraak, 10 maart 2004, 200305817/1, via www.rechtspraak.nl zoeken op LJ-Nummer AO5242 (verzoek afgewezen)

Vindplaats

  • Deze uitspraak is niet gepubliceerd.