Delen
16 jul 1998

Rb Rotterdam: Coffeeshopbeleid vastgelegd in APV in strijd met Opiumwet. 

Aangescherpt coffeeshopbeleid, vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Algemene Plaatselijke Verordening inzake horeca-inrichtingen, verdraagt zich niet met de Opiumwet. Uitvoeringsbesluit is onverbindend.

Instantie

Rechtbank Rotterdam, president sector bestuursrecht

Rolnummer

VAPV 98/1231

Wetsartikelen

APV Rotterdam art. 2.3.1, art. 2.3.2, art. 2.3.3, art. 2.3.6.3
Uitvoeringsbesluit APV inzake horeca-inrichtingen waarin cannabisproducten worden verstrekt
Gemeentewet art. 149

Beschrijving

De burgemeester weigerde X. een exploitatievergunning op basis van de APV te verlenen ten behoeve van een coffeeshop. X. maakte hiertegen bezwaar en verzocht de President van de Rechtbank om schorsing.

Ten aanzien van de in de APV voor exploitatievergunningen opgenomen weigerings- en intrekkingsgronden en de gronden waarop tot sluiting van een inrichting kan worden besloten, hanteerde de burgemeester voor inrichtingen als de onderhavige waar softdrugs worden verkocht een gedoogbeleid. Op 7 april 1997 heeft de burgemeester nieuw en aangescherpt beleid bekendgemaakt met betrekking tot het gedogen van de kleinschalige verkoop van cannabis. Dit beleid is vastgelegd in de nota ‘Coffeeshops met beleid’. Kleinschalige verkoop van cannabis wordt uitsluitend gedoogd in de alcoholvrije coffeeshop.

Voor deze speciale categorie horeca-inrichtingen wordt een speciale exploitatievergunning verplicht gesteld met de geldigheidsduur van een jaar, waaraan de AHOJG-criteria als voorwaarden worden verbonden. De vergunning dient op basis van dit beleid voor 1 september 1997 te worden aangevraagd. Horeca-inrichtingen die niet over deze speciale vergunning beschikken is het niet meer toegestaan cannabis te verkopen.

De burgemeester heeft in verband met dit gewijzigde beleid vastgesteld het Uitvoeringsbesluit Algemene Plaatselijke Verordening inzake horeca-inrichtingen waarin cannabisproducten worden verstrekt. Dit Uitvoeringsbesluit bevat regels met betrekking tot de verlening van de zogenaamde coffeeshopvergunning.

De President constateert dat niet duidelijk is op welk artikel van de APV dit Uitvoeringsbesluit is gebaseerd. Afgezien daarvan wordt door het nemen van dit Uitvoeringsbesluit een vergunningenstelsel in het leven geroepen op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een inrichting, waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden. Dit verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet. Datgene dat door de nationale wetgever expliciet en onvoorwaardelijk is verboden kan niet door een Uitvoeringsbesluit behorende bij een verordening als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet worden toegestaan. Het Uitvoeringsbesluit is derhalve onverbindend.

De President schorst het bestreden besluit en veroordeelt de gemeente Rotterdam in de proceskosten.

Vindplaats

  • Jurisprudentie voor Gemeenten, 9 (1998) 203
  • JU 001048
  • Zie ook Jurisprudentie voor Gemeenten 98.0204 (uitspraak Rechtbank Zutphen van 14 september 1998 inzake Winterswijk m.n. WH)