RvS: Vragen aan Hof van Justitie EG naar aanleiding van ingezetenencriterium coffeeshop
De burgemeester van Maastricht heeft een coffeeshop tijdelijk gesloten verklaard, omdat twee maal is geconstateerd dat daarin niet in Nederland woonachtige EG-onderdanen zijn toegelaten, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Maastricht 2006 (hierna: de APV).
Instantie
Raad van State
Rolnummer
200803357/1
Wetsartikelen
Artikel 2.3.1.3 e lid 1 APV Maastricht
Artikel 12 en 18 EG-Verdrag
Beschrijving
Blijkens het daaraan ten grondslag liggende raadsvoorstel wordt met het in artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de APV opgenomen ingezetenencriterium beoogd een einde te maken aan de overlast veroorzaakt door het grote aantal toeristen dat in Maastrichtse coffeeshops softdrugs wil kopen en of gebruiken.
De Afdeling overweegt dat het in de APV neergelegde verbod mogelijk een beperking van het vrij verkeer van goederen in de zin van artikel 29 van het EG-Verdrag inhoudt, nu het niet-ingezetenen, in tegenstelling tot ingezetenen, verboden is goederen af te nemen in coffeeshops. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om de verkoop in coffeeshops van goederen waarvan de verkoop weliswaar verboden is, maar waarvan dit wordt gedoogd, namelijk softdrugs, maar ook om legale goederen, zoals de verkoop van koffie en thee. Ook leidt het verbod mogelijk tot een beperking van de vrijheid tot het verrichten van diensten, als bedoeld in artikel 49 van het EG-Verdrag, nu het coffeeshophouders verboden wordt om hun diensten, die gedeeltelijk legaal zijn en gedeeltelijk gedoogd worden, aan te bieden aan niet-ingezetenen en het niet-ingezetenen wordt verboden deze diensten te ontvangen. Tot slot moet, zo nodig, nog worden beoordeeld of sprake is van indirecte discriminatie naar nationaliteit in de zin van artikel 12 van het EG-Verdrag, nu de APV voor het gedoogbeleid het ingezetenschap als voorwaarde stelt, hetgeen meebrengt dat hoofdzakelijk personen met de nationaliteit van een andere lidstaat door de bedoelde beperking worden getroffen.
De Afdeling ziet daarom aanleiding tot het stellen van de volgende vragen aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen:
1. Valt een regeling, zoals in de hoofdzaak aan de orde, omtrent de toegang van
niet-ingezetenen tot coffeeshops, geheel of gedeeltelijk binnen de werkingssfeer
van het EG-verdrag, in het bijzonder het vrij verkeer van goederen en/of
diensten, dan wel het discriminatieverbod van artikel 12 in samenhang met
artikel 18 van het EG-Verdrag?
2. Voor zover de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van
goederen en/of diensten van toepassing zijn, vormt een verbod tot toelating van
niet-ingezetenen tot coffeeshops, zoals vervat in artikel 2.3.1.3e, eerste lid,
van de APV in samenhang met het besluit van de burgemeester van 13 juli 2006,
dan een geschikt en proportioneel middel om het drugstoerisme en de daarmee
gepaard gaande overlast terug te dringen?
3. Is het in artikel 12 in samenhang met artikel 18 van het EG- Verdrag
neergelegde verbod van discriminatie van burgers van de Unie op grond van
nationaliteit van toepassing op de regeling omtrent de toegang van
niet-ingezetenen tot coffeeshops, indien en voor zover de bepalingen van het
EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van goederen en diensten niet van toepassing
zijn?
4. Zo ja, is het daarbij gemaakte indirecte onderscheid tussen ingezetenen en
niet-ingezetenen gerechtvaardigd en is het verbod tot toelating van
niet-ingezetenen tot coffeeshops een geschikt en proportioneel middel om het
drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast terug te dringen?
De Afdeling schorst de behandeling van de hoger beroepen tot het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.
Vindplaats
Op www.rechtspraak.nl onder LJN: BI0424



