RvS: Terechte sluiting onbepaalde tijd coffeeshop wegens aantreffen handelshoeveelheid harddrugs.
Terechte sluiting van een coffeeshop wegens het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs. Geen punitieve sanctie. Beleidsregel niet noodzakelijk. Exploitant is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting.
Instantie
Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak
Rolnummer
200401581/1Wetsartikelen
Opiumwet art. 13b, eerste lid
Beschrijving
Bij een politiecontrole wordt in de coffeeshop van appellanten bij een bezoeker negen bolletjes cocaïne aangetroffen met een totaal gewicht van 1,4 gram. De burgemeester besluit hierop de inrichting onmmiddellijk te sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet. Het beroep van appellanten tegen het besluit tot sluiting wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.
Appellanten voeren in hoger beroep aan dat het sluiten van de inrichting een punitieve sanctie is. Hierbij dient te worden beoordeeld of is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de sluiting kan, aldus appellanten, niet worden volstaan met een terughoudende toetsing van de door de burgemeester verrichte belangenafweging.
De Afdeling oordeelt echter dat de toepassing van bestuursdwang er in een geval als het onderhavige slechts toe strekt overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van deze wet te beëindigen en te voorkomen. Er is dus geen sprake van een sanctie met een leedtoevoegend karakter. Dat de financiële consequenties van de sluiting voor appellanten aanzienlijk zouden zijn, doet hieraan niet af.
Appellanten betogen dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne dermate gering is dat dit niet als een handelsvoorraad kan worden aangemerkt. Tevens is niet gebleken dat de cocaïne in de coffeeshop is verhandeld.
De Afdeling bevestigt in deze het oordeel van de rechtbank. Gezien de hoeveelheid ging het om meer dan de maximaal 0,5 gram die volgens het openbaar ministerie als voorraad voor eigen gebruik wordt aangemerkt. De cocaïne is bij één persoon aangetroffen, in negen gebruikseenheden. Voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen is niet vereist dat daadwerkelijk cocaïne is verhandeld. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat uit het woord "daartoe" in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat de enkele aanwezigheid van bedoelde handelshoeveelheid ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van de inrichting. De 0,5 gram uit de richtlijn van het openbaar ministerie betreft bovendien geen zuivere stof, maar 'hetgeen als cocaïne wordt verhandeld'.
Het is niet vereist dat voor de toepassing van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen terzake door de burgemeester beleidsregels zijn opgesteld. De burgemeester heeft geen beleidsregels vastgesteld voor de toepassing van artikel 13b Opiumwet, maar hanteert reeds geruime tijd de bestendige gedragslijn dat gedoogde coffeeshops onmiddellijk voor onbepaalde tijd worden gesloten indien daarin een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat deze gedragslijn niet kennelijk onredelijk is. Appellanten konden daarmee bekend zijn, gelet op de publiciteit rondom de sluiting van andere coffeeshops. De burgemeester heeft ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, nu voor gewone horecagelegenheden andere regels gelden dan voor coffeeshops.
Dat de aanwezigheid van harddrugs in de coffeeshop de exploitant niet valt aan te rekenen is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van de beleidslijn zou moeten afwijken. "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 4 juli 2001 in zaak no. 200004191/1 (AB 2002, 6), speelt in een geval als het onderhavige de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. Appellanten zijn verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting en zij dienen afdoende maatregelen te treffen teneinde feiten als hier in geding te voorkomen. Dat de inrichting zich in een gebied bevindt waar veel drugsoverlast voorkomt, maakt dit niet anders. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat de onmiddellijke sluiting van de inrichting niet disproportioneel is te achten.
Hoger beroep ongegrond.



