Rb Den Haag: Terechte sluiting onbepaalde tijd coffeeshop wegens wijziging afstandscriterium.
Beleid dat geen coffeeshops mogen worden gevestigd binnen 500 meter van een school of jongerencentrum is toelaatbaar. Het niet langer gedogen van een coffeeshop op basis van gewijzigd beleid is geen reden voor schadecompensatie.
Instantie
Rechtbank Den Haag, president sector bestuursrecht
Rolnummer
AWB 00/1049 VERORWetsartikelen
Opiumwet art. 13b
APV Den Haag art. 67
Beschrijving
De burgemeester gaf in zijn besluit van 27 december 1999 aan de verkoop van softdrugs vanuit de onderhavige recreatie-inrichting met ingang van 1 februari 2000 niet langer te gedogen. De recreatie-inrichting bevond zich namelijk op 400 meter afstand van een school voor voortgezet onderwijs. X. BV verzocht de President van de Rechtbank om een voorlopige voorziening.
De President overweegt dat artikel 13b Opiumwet op 21 april 1999 in werking is getreden en dat op grond hiervan de burgemeester bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang indien in voor publiek toegankelijke lokalen drugs worden verhandeld. De burgemeester voert in het kader van deze bevoegdheid een beleid dat niet anders is dan het beleid dat hij reeds sedert jaren voerde op grond van artikel 67 van de APV. Dit beleid, neergelegd in de ‘Beleidsnotititie Koffieshops’ (12 december 1994), komt erop neer dat tegen verkoop van softdrugs vanuit recreatie-inrichtingen die op een lijst met bestaande verkooppunten zijn geplaatst, slechts wordt opgetreden indien sprake is van overtreding van de gedoogvoorwaarden. Dit beleid is aangescherpt door middel van de nota ‘Bijstelling coffeeshopbeleid’ van 10 juni 1997. Ter bescherming van het woon- en leefklimaat is bepaald dat tot sluiting van een inrichting kan worden overgegaan indien deze binnen een afstand van 500 meter van een school voor voortgezet onderwijs en/of een jongerencentrum is gelegen. Tegen bestaande en op de lijst vermelde recreatie-inrichtingen kan pas twee jaar na bekendmaking van dit gewijzigde beleid worden opgetreden. De President is van oordeel dat de beleidsvrijheid die de burgemeester toekomt tevens de vrijheid impliceert om beleid te wijzigen; zelfs een wijziging die feitelijk de beëindiging van het gedogen van de inrichting inhoudt kan in beginsel niet onaanvaardbaar worden geoordeeld. De aanscherping van het beleid is voldoende gemotiveerd en met de overgangsperiode van twee jaar voor bestaande inrichtingen heeft de burgemeester genoegzaam de gevolgen van de aanscherping beperkt.
De gehanteerde straal van 500 meter acht de President niet onredelijk. Niet valt in te zien dat de burgemeester hierin geen eigen koers mag volgen. Het feit dat de Afdeling bestuursrechtspraak eerder een afstandgrens van 250 niet onredelijk achtte, rechtvaardigt niet de stelling dat een grens van 500 meter niet zou kunnen worden gehanteerd.
Voor zover X. BV van oordeel is dat de maatregel disproportioneel is, aangezien ook gekozen kan worden voor een aanpassing van de openingstijden van de coffeeshop, zodat deze niet tijdens de schooltijden geopend is, merkt de President op dat het niet onredelijk is dat het beleid in deze mogelijkheid niet heeft voorzien. Een dergelijke benadering zou immers kunnen leiden tot per koffieshop (en wellicht per dag) wisselende openingstijden. Dit zou tot een niet controleerbare situatie leiden en zou bovendien niet stroken met een ander uitgangspunt van het beleid van de burgemeester, namelijk de gefaseerde afbouw van het aantal verkooppunten.
De stelling dat de maatregel dient te leiden tot een aanbod van schadecompensatie, kan de President niet volgen. Het gegeven dat er conform het beleid niet is opgetreden tegen de illegale activiteiten, kan niet betekenen dat de burgemeester bij staking van dat gedogen op enigerlei wijze gehouden is financiële compensatie te bieden voor de gevolgen van de maatregel. Niet uit het oog mag worden verloren dat verkoop van softdrugs een illegale activiteit is die wordt gedoogd en dat de verkooppunten altijd met de omstandigheid rekening moeten houden dat aan deze gedoogsituatie een einde komt.
De President wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Noot
Deze uitspraak is om drie redenen geplaatst. Op de eerste plaats bij wijze van voorbeeld van de toepassing van de Wet Damocles, die een jaar geleden in werking trad. Artikel 13b is hier ingezet om de vestiging van een coffeeshop in strijd met het gewijzigde beleid te beëindigen. Precies zoals de wetgever heeft beoogd is - ook volgens deze President - de enkele strijdigheid met het beleid voldoende reden voor de toepassing van de bestuursdwangbevoegdheid en hoeft niet - zoals in het verleden vaak het geval was - de overlast door de betreffende inrichting aannemelijk te worden gemaakt.
Het afstandscriterium van 500 meter is de tweede reden om deze uitspraak onder de aandacht te brengen. Liet de Afdeling bestuursrechtspraak zich al eerder uit over de toelaatbaarheid van een afstandscriterium van 250 meter van scholen en jongerencentra, in deze uitspraak acht de President ook een twee keer zo grote straal aanvaardbaar.
De derde reden waarom deze uitspraak de aandacht trekt, is de stelligheid waarmee de President stelt dat het ophouden met het gedogen van illegale activiteiten niet tot schadecompensatie kan leiden. Dat zal de gemeentebesturen als muziek in de oren klinken.
Hoewel de President het in zijn overweging niet vermeldt, lijkt het mij goed er op te wijzen dat in dit concrete geval schadeloosstelling niet aan de orde is, omdat bij de beleidswijziging - waarop dit besluit gebaseerd is - een overgangstermijn van 2 jaar is gehanteerd. (WH)
Vindplaats
- Jurisprudentie voor Gemeenten, 11 (2000) 81 met noot van W.A.G. Hillenaar.



