Delen
03 dec 1997

Rb Breda: Terechte aangepaste sluitingstijd coffeeshop ten opzichte van Winkeltijdenwet. 

Eerder sluitingstijdstip voor coffeeshops in vergelijking met andere horeca-inrichtingen terecht. Coffeeshop is geen winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Instantie

Rechtbank Breda, sector bestuursrecht

Rolnummer

96/2527 HOREC VIE

Wetsartikelen

APV Bergen op Zoom art. 2.3.3.2
Gemeentewet art. 121, art. 122, art. 149
Winkeltijdenwet art. 9

Beschrijving

In geding is de vraag of de gemeente Bergen op Zoom gerechtigd was om op grond van artikel 2.3.3.2 APV een sluitingsuur van 20.00 uur in te voeren voor coffeeshops. Dit sluitingsuur week aanzienlijk af van de sluitingstijden voor de horecabedrijven. Wegens herhaalde overtreding van het sluitingsuur had de burgemeester coffeeshop ‘De Theepot’ voor de duur van een maand gesloten.

De Rechtbank stelt allereerst de vraag of gezien het bepaalde in artikel 122 van de Gemeentewet sprake is van een regeling van een onderwerp in een verordening waarin reeds via een hogere regeling is voorzien, nl. de Winkeltijdenwet. Volgens artikel 9 van de Winkeltijdenwet kunnen verordeningen geen betrekking hebben op openingstijden van winkels tussen 06.00 en 22.00 uur. Op dit punt komt de gemeenten geen regelgevende bevoegdheid toe, ook niet ten dienste van een van de Winkeltijdenwet afwijkende doelstelling als de openbare orde. De kernvraag is of een coffeeshop een winkel is in de zin van de Winkeltijdenwet. De Rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Volgens de Memorie van Toelichting valt onder de omschrijving van het begrip winkel niet de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend. In een horecabedrijf staat de verstrekking van waren bij wijze van dienstverlening voorop, hetgeen niet is te beschouwen als verkopen in de zin van het betreffende artikel van de Winkeltijdenwet. De coffeeshop ‘De Theepot’ beschikte over een vergunning voor het verstrekken van alcoholvrije dranken ter plaatse. In die zin is de coffeeshop een horecabedrijf. Daarnaast worden er ook drugs verstrekt voor gebruik ter plaatse. Het afwijkende sluitingsregime is dus niet in strijd met de Winkeltijdenwet.

Het gemaakte onderscheid tussen coffeeshops en andere horecabedrijven is met name ingegeven door het feit dat het bij coffeeshops gaat om een stelselmatig handelen in strijd met de wettelijke voorschriften in een voor publiek toegankelijke inrichting. Er vindt immers verkoop van soft drugs plaats, die alleen onder bepaalde condities wordt gedoogd. Een ander aspect is dat het volgens de Rechtbank van algemene bekendheid is dat de exploitatie van coffeeshops overlast veroorzaakt voor de woonomgeving. Het uit een oogpunt van bescherming van het woon- en leefklimaat voeren van een apart beleid ter zake van sluitingstijden voor coffeeshops is dan ook terecht. Daarbij hoeft overigens niet zover te worden gegaan dat voor elke coffeeshop in Bergen op Zoom afzonderlijk gemotiveerd wordt aangegeven in hoeverre sprake is van een bijdrage aan de aantasting van het woon- en leefklimaat.

De Rechtbank voegt er nog aan toe dat volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak een nuloptiebeleid ten aanzien van coffeeshops, mits deugdelijk gemotiveerd en behoudens bijzondere omstandigheden, is geaccepteerd. Het onderhavige beleid dat minder verstrekkend is - het gaat alleen om beperking van de sluitingstijden - kan daarom eveneens worden aanvaard.

Beroep ongegrond.

Vindplaats

  • Jurisprudentie voor Gemeenten, 9 (1998) 25
  • AB Rechtspraak Bestuursrecht 1998, 76 met noot van F.C.M.A. Michiels
  • De Gemeentestem 7074, 6 met naschrift HH