Delen
17 nov 2003

Rb Groningen: Terecht bezwaar tegen plaatsing coffeeshop op gedooglijst.

Bezwaar tegen plaatsing coffeeshop op gedooglijst gegrond. Vestigingscriteria aangescherpt nadat de bezwaarschriftencommissie advies had uitgebracht.

Instantie

Rechtbank Groningen, sector bestuursrecht

Rolnummer

AWB 03/1004 BESLU VEN, AWB 03/1005 BESLU VEN

Wetsartikelen

Awb art. 3:2, 3:4, 7:9

Beschrijving

Ondernemers en omwonenden maken bezwaar tegen het besluit van de burgemeester van 1 oktober 2002 om een coffeeshop op de gedooglijst te plaatsen. Verzoekers stellen overlast te ondervinden van de coffeeshop. Verweerder wijst het bezwaar af omdat er geen meldingen van overlast zijn ontvangen. Verzoekers gaan in beroep tegen de beslissing op bezwaar en vragen een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter doet uitspraak in de hoofdzaak.

In geding is de rechtmatigheid van het besluit tot het plaatsen van de coffeeshop op de gedooglijst. Het is bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat plaatsing op een zogenoemde 'gedooglijst' dient te worden geduid als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb. Het plaatsen op de gedooglijst betekent immers dat geen bestuursdwang zal worden toegepast en houdt derhalve een op rechtsgevolg gericht besluit in.

De voorzieningenrechter oordeelt over de totstandkoming van het primaire besluit. Het besluit tot plaatsing van de coffeeshop op de gedooglijst was gebaseerd op de gemeentelijke beleidsregels, vastgesteld door de raad op 19 juli 2000. De hoorzitting van 6 februari 2003 en het (negatieve) advies van de bezwaarschriftencommissie van 6 juni 2003 gingen uit van deze beleidsregels en achtten de locatie van de coffeeshop in strijd met de hierin genoemde vestigingscriteria. Vervolgens werden op 19 augustus 2003 de vestigingscriteria voor coffeeshops aangescherpt in de beleidsnota "Precisering vestigingscriteria coffeeshopbeleid gemeente Groningen". De beslissing op bezwaar van 27 augustus 2003 werd gebaseerd op deze nieuwe beleidsregels.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, door de beslissing op bezwaar te nemen zonder dit belangrijke novum terug te koppelen naar verzoekers en de bezwaarschriftencommissie -en derhalve de beslissing op bezwaar heeft genomen zonder dat verzoekers en de bezwaarschriftencommissie daarop konden reageren- heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2, 3:4, 7:9 Awb, en het beginsel van fair play. Aan toetsing van het bestreden besluit aan dit beginsel kan met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, Awb worden toegekomen, nu verzoekers zich onder meer op het standpunt hebben gesteld dat door deze handelwijze de betrouwbaarheid van de overheid wordt ondermijnd. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet kan doorstaan. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter geeft vervolgens nog enkele nadere overwegingen ten aanzien van de verschillen in vestigingscriteria tussen de beleidsnota van 2000 en de aanscherping van 2003. Hierbij staat de formulering "De locatie mag niet gelegen zijn in de directe nabijheid van een (lagere of middelbare) school of een jongerencentrum." centraal.

Het besluit van 1 oktober 2002 wordt geschorst tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de door verweerder te nemen nieuwe beslissing op bezwaar.

Links