Delen
21 apr 2004

RvS: Terechte vrijstelling van bestemmingsplan en verlening bouwvergunning horeca-inrichting. Cannabisverkoop niet planologisch te reguleren.

Vrijstelling van bestemmingsplan en bouwvergunning voor horecabedrijf, waarin onder meer een coffeeshop wordt gevestigd, terecht verleend. Bouwplan niet strijdig met bestemmingsplan nu cannabisverkoop niet planologisch te reguleren valt.

Instantie

Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak

Rolnummer

200304861/1

Wetsartikelen

Bestemmingsplan "Arsenaal", inclusief planvoorschriften, zoals goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Zeeland bij besluit van 15 mei 2001

Beschrijving

Het college verleent appellant A. bij besluit van 4 september 2001 vrijstelling van bestemmingsplan op grond van art. 19 WRO en een bouwvergunning ten behoeve van de bouw van een horecabedrijf. Het beroep van appellant B. en anderen (omwonenden) tegen de beslissing op bezwaar wordt door de voorzieningenrechter gegrond verklaard. Hierop gaan alle partijen in hoger beroep. Bij besluit van 21 januari 2004 verklaart het college het bezwaar opnieuw gegrond.

Het betreffende perceel heeft volgens het bestemmingsplan de bestemming "Horeca café/bar en parkeervoorzieningen". Oorspronkelijk was in de planvoorschriften bij het bestemmingsplan voor dit perceel de aanduiding "mede bestemd voor coffeeshop" opgenomen. Het college van gedeputeerde staten heeft deze bepaling echter niet goedgekeurd omdat de bestemming coffeeshop niet verenigbaar is het het in de Opiumwet gegeven verbod op de verkoop van softdrugs.

De oorspronkelijke planvoorschriften bevatten de bepaling dat de bedrijfsvloeroppervlakte van een coffeeshop maximaal 100 m2 mag zijn. Het bouwplan voorziet in een de vestiging van een horecabedrijf met een totale bedrijfsvloeroppervlakte van ongeveer 440 m2. De vraag is nu of het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan? De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. Het bouwplan betreft een zogenoemde horeca-4 inrichting. Op de benedenverdieping zal onder meer een coffeeshop gevestigd worden als onderdeel van die inrichting. Het college voert aan en de Afdeling bevestigt dat oordeel, dat bij de toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan geen rekening gehouden kan worden met het specifieke feit dat het hier een coffeeshop betreft. De verkoop van cannabis is een bij de Opiumwet verboden activiteit die niet planologisch te reguleren valt. Het gemeentebestuur is overigens van plan om ten aanzien van deze coffeeshop een gedoogbesluit te nemen, op voorwaarde dat de cannabisverkoop alleen op de benedenverdieping zal plaatsvinden.

De bepaling over de maximale bedrijfsvloeroppervlakte heeft geen betekenis meer nu er geen goedkeuring is gehecht aan de aanduiding "mede bestemd tot coffeeshop" op de plankaart. Dat het college van gedeputeerde staten bij zijn beslissing inzake de onthouding van goedkeuring aan dit onderdeel slechts de direct op de functie coffeeshop betrekking hebbende voorwaarden heeft doorgehaald, doet daaraan niet af. Voor de bestemming horeca-4 inrichting als zodanig gelden geen specifieke bebouwingsvoorschriften. Dus noch omdat het een coffeeshop betreft, noch omdat het gaat om ca. 440 m2 bedrijfsvloeroppervlakte, is het bouwplan strijdig met het bestemmingsplan en de bijbehorende planvoorschriften.

Het hoger beroep van het college en appellant A. wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van appellant B. en anderen wordt ongegrond verklaard.

Noot

In de planvoorschriften bij bestemmingsplannen, zijnde algemeen verbindende voorschriften, kunnen geen bepalingen over cannabisverkoop in coffeeshops worden opgenomen omdat dit bij de Opiumwet verboden handelen is. Op dezelfde grond kunnen in de APV geen bepalingen over coffeeshops opgenomen worden. Volgens artikel 121 Gemeentewet mag immers in lagere regelgeving niet iets geregeld worden wat bij hogere regelgeving verboden is.

Links