RvS:Terechte oplegging dwangsom wegens strijd met bestemmingsplan. Wijziging organisatievorm niet aannemelijk gemaakt.
Vof is nog steeds overtreder in de zin van artikel 5:32 Awb, nu het onderbrengen van exploitatie in BV niet aannemelijk is gemaakt. Vof is terecht onder oplegging van dwangsom gelast tot staking van met bestemmingsplan strijdige verkoop van softdrugs.
Instantie
Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak
Rolnummer
200002643/1Wetsartikelen
Awb art. 5:32
Beschrijving
B en W hadden bij het primaire besluit de vof ‘Nogal Wiedus’ en haar vennoten onder oplegging van een dwangsom gelast om de met het geldende bestemmingsplan strijdige verkoop van softdrugs vanuit een bepaald pand binnen twee weken te staken. Zij hadden bij het bestreden besluit het bezwaar van de vof en haar vennoten tegen het primaire besluit in zoverre gegrond verklaard dat alsnog werd aangegeven welk voorschrift van het bestemmingsplan was overtreden, en dat voorts werd aangegeven dat de datum waarop een politiecontrole was uitgevoerd, werd geschrapt. Voor het overige hadden zij het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank Alkmaar had het beroep van Nogal Wiedus BV tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de BV niet als rechtsopvolgster van de vof zou zijn aan te merken, en het beroep van de vof en haar vennoten ongegrond verklaard.
De afdeling is met de Rechtbank van oordeel dat B en W zich ten tijde van het bestreden besluit terecht op het standpunt hebben gesteld dat de vof nog bestond (d.w.z. nog niet was ontbonden). De afdeling verwerpt de overweging van de Rechtbank dat de vof na 24 juni 1999 (datum waarop de raadsman van de vof aan B en W heeft medegedeeld dat de exploitatie - verkoop van cannabisproducten - is ondergebracht in een BV) geen feitelijke overtreder meer is in de zin van art. 5:32 Awb (oplegging van een last onder dwangsom aan de overtreder). Gebleken is dat zich sedert 24 juni 1999 geen enkele wijziging heeft voorgedaan in de exploitatie van de onderneming. De vof heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze exploitatie in een BV is ondergebracht. B en W hebben dan ook bij het nemen van het bestreden besluit terecht de vof nog steeds als overtreder in vorenbedoelde zin aangemerkt. Dit betekent verder dat de overwegingen van de Rechtbank dat de inhoudelijke beoordeling van dit besluit slechts betrekking heeft op de periode tot 24 juni 1999, op onjuiste uitgangspunten berust. Nu genoemde overwegingen niet tot vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid, kan op dit punt met verbetering van die overwegingen worden volstaan.
De BV heeft in haar beroepschrift bij de Rechtbank gesteld dat zij weliswaar geen rechtsopvolgster is van de vof, maar dat zij niettemin toch beroep instelt voor het geval dat de gemeente daadwerkelijk de dwangsommen op haar zou willen verhalen. De vraag of en, zo ja, met ingang van welk tijdstip de last onder dwangsom kan worden ingeroepen tegenover de BV, moet worden beoordeeld door de burgerlijke rechter in het kader van de executie van verbeurde dwangsommen. Deze vraag gaat het onderhavige geschil, waarin de rechtmatigheid van het bestreden besluit ter beoordeling staat, dan ook te buiten. Dit betekent dat de door B en W aangevochten overwegingen het oordeel van de Rechtbank dat de BV niet-ontvankelijk is in haar beroep, niet kunnen dragen. Nu de Rechtbank de BV echter op zich terecht - zij het op onjuiste gronden - niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan ook op dit punt worden volstaan met een verbetering van gronden.
Vast staat dat de vof in het desbetreffende pand een verkooppunt voor softdrugs exploiteert en dat het geldende bestemmingsplan de verkoop van softdrugs niet toelaat. B en W mochten dan ook aan haar een last onder dwangsom opleggen.
Alleen in bijzondere gevallen mag een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Van een bijzonder geval kan sprake zijn, indien legalisering van de illegale situatie tot de mogelijkheden behoort. In dit verband heeft de Rechtbank terecht verwezen naar haar uitspraak van 29 januari 1998, waarin is geoordeeld dat de weigering van B en W om t.b.v. de verkoop van softdrugs vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan als gevolg van intrekking van het beroep daartegen in rechte onaantastbaar is geworden. De vof heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld bij de afdeling. Ook overigens is niet gebleken dat legalisering van het illegale gebruik in het verschiet ligt.
Voorts is niet gebleken van andere bijzondere omstandigheden, op grond waarvan B en W van handhavend optreden hadden moeten afzien. Weliswaar hebben zij, hoewel op de hoogte van de illegale situatie, een periode laten verstrijken alvorens tot handhavend optreden over te gaan, maar de vof mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij definitief van handhaving hadden afgezien. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat bij de eerdere gedoogbesluiten voldoende duidelijk is gemaakt dat het gedogen van de verkoop van softdrugs op deze locatie een tijdelijk karakter had. Ook staat de hoogte van de opgelegde dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.
Bevestiging van de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden.
Vindplaats
- Deze uitspraak is niet gepubliceerd.



