Delen
15 apr 1999

RvS: Afwijzing verzoek wijziging bestemmingsplan geen besluit art. 1:3 AWB.

Verzoek aan B en W om bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van gebruik van pand als coffeeshop is op te vatten als verzoek om aan gemeenteraad voor te stellen het bestemmingsplan te herzien. Afwijzing van dat verzoek is geen besluit in de zin van artikel 1:3 AWB. Geen mogelijkheden voor vrijstelling van bestemmingsplan. B en W zijn niet bevoegd tot wijziging van plan op grond van artikel 11 WRO.

Instantie

Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak

Rolnummer

H01.98.1172

Wetsartikelen

WRO art. 11, art. 19
Awb art. 1.3, art. 2.3

Beschrijving

B en W hadden bij het bestreden besluit het bezwaar van X. ongegrond verklaard dat gericht was tegen hun afwijzing van zijn verzoek om het geldende bestemmingsplan te wijzigen t.b.v. het gebruik van een pand als coffeeshop. De Rechtbank Arnhem had het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat X. niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn bezwaarschrift.

De Afdeling stelt vast dat gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met de op de desbetreffende gronden rustende bestemming ‘Verkoopruimten’. Vrijstelling van het ter zake toepasselijke gebruiksverbod met toepassing van art. 23 van de planvoorschriften is niet mogelijk. Toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid van art. 28, lid 3, van deze voorschriften ligt niet in de rede. Art. 24 van de planvoorschriften kent aan B en W de bevoegdheid toe om op grond van art. 11 WRO het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat o.m. de bestemming tot woningen, verkoopruimten, horecabedrijven en kantoren onderling uitwisselbaar is. Omdat hiervoor ten minste twee objecten met een verschillende bestemming nodig, doch niet voorhanden zijn, zijn B en W evenmin bevoegd tot een dergelijke wijziging van het plan. Voorts waren zij in casu niet bevoegd tot het verlenen van vrijstelling op grond van art. 19 WRO (anticipatieprocedure).

De Rechtbank heeft terecht overwogen dat B en W het aan hen gedane verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan hebben mogen opvatten als een verzoek om aan de gemeenteraad voor te stellen het geldend bestemmingsplan te herzien (impliciete doorzending van het verzoek aan de raad) en dat de afwijzing van dat verzoek geen besluit is in de zin van art. 1:3 AWB waartegen bij B en W bezwaar kon worden gemaakt.

Bevestiging van de aangevallen uitspraak. Verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaats

  • Zie ook de uitspraak van de Afdeling van gelijke datum (15 april 1999) nr. H01.98.1174 (JU 991062) inzake (vrijwel) dezelfde partijen.
  • De Gemeentestem, 149 (1999) 7103, 2 met noot van H.Ph.J.A.M. Hennekens